ECLI:NL:CRVB:2026:854

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
22/1303 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding en proceskosten wegens overschrijding redelijke termijn WIA-procedure

Appellante had een WIA-uitkering aangevraagd en bezwaar gemaakt tegen een eerdere beslissing van het UWV. De procedure duurde ruim vijf jaar, wat de redelijke termijn volgens het EVRM aanzienlijk overschreed. Na een tussenuitspraak van de Raad op 13 november 2025 nam het UWV op 7 januari 2026 een nieuwe beslissing die aan de bezwaren tegemoetkwam. Hierdoor trok appellante haar hoger beroep in en verzocht zij om proceskostenvergoeding en schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn.

De Raad beoordeelde dat de totale procedure te lang had geduurd, waarbij het gedeelte van de overschrijding tussen het instellen van het beroep bij de rechtbank en de tussenuitspraak deels voor rekening van de Staat kwam en deels voor het UWV. De schadevergoeding werd berekend op € 2.000,-, waarvan € 727,27 voor rekening van het UWV en € 1.272,73 voor de Staat. Daarnaast werden proceskosten toegekend aan appellante, waarbij het UWV en de Staat respectievelijk € 5.412,30 en € 233,50 moesten vergoeden.

De Raad besloot het hoger beroep niet inhoudelijk te behandelen vanwege de intrekking en sloot het onderzoek. De uitspraak werd gedaan door F.M. Rijnbeek, in aanwezigheid van griffier M.G.J. van Eck, op 1 juli 2026.

Uitkomst: Het UWV en de Staat worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn in de WIA-procedure.

Uitspraak

22/1303 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2022, 21/1376 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 1 juli 2026

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen appellante en het Uwv op 13 november 2025 een tussenuitspraak gedaan. [1]
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv op 7 januari 2026 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en de WIAuitkering van appellante vanaf 11 maart 2021 ongewijzigd voortgezet.
Bij brief van 18 februari 2026 heeft appellante haar hoger beroep ingetrokken, omdat naar haar mening aan haar bezwaren was tegemoetgekomen. Daarbij heeft zij verzocht het Uwv in de proceskosten te veroordelen en haar eerder gedane verzoek om schadevergoeding herhaald. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een nieuwe zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
1.2.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 7 januari 2026 aan haar bezwaren tegemoet is gekomen.
Schadevergoeding redelijke termijn
2. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
2.1.
De vraag of de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van de verzoeker gedurende de gehele procesgang. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009). [2] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
2.2.
In geval van een tegemoetkomend besluit eindigt de redelijke termijn op het moment waarop het tegemoetkomend besluit is bekendgemaakt (zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2022). [3] In dit geval is het tegemoetkomend besluit op 7 januari 2026 aan appellante bekendgemaakt. Vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van de ex-werkgever van appellante op 24 maart 2020 (vanaf welke datum appellante als derde-belanghebbende aan het geding heeft deelgenomen) [4] tot de datum van het tegemoetkomende besluit van 7 januari 2026 heeft de procedure vijf jaar en ruim negen maanden geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met één jaar en (afgerond) tien maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 2.000,-.
2.3.
Volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van de Raad van 7 maart 2014) [5] wordt in een geval als dit, waarin na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode tussen het instellen van beroep bij de rechtbank en de tussenuitspraak van de hoger beroepsrechter ten hoogste drie en een half jaar heeft geduurd en de hoger beroepsrechter vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet.
2.4.
De periode van de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 9 maart 2021 tot de tussenuitspraak van de Raad van 13 november 2025 heeft vier jaar en (afgerond) acht maanden in beslag genomen. Dit betekent dat het gedeelte dat langer heeft geduurd dan drie en een half jaar tussen het instellen van het beroep bij de rechtbank en de tussenuitspraak, te weten een jaar en twee maanden, voor rekening van de Staat komt. Hieruit volgt dat voor rekening van het Uwv een overschrijding van acht maanden komt.
2.5.
Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. [6] Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 727,27 (8/22 deel van € 2.000,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 1.272,73 (14/22 deel van € 2.000,-).
Proceskosten
3. Appellante krijgt een vergoeding voor de kosten die zij in verband met de behandeling van de zaak heeft moeten maken.
3.1.
De kosten voor rechtsbijstand worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.401,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor schriftelijke inlichtingen en waarde per punt van € 934,-) en € 3.736,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor de zitting, tweemaal 0,5 punt voor schriftelijke inlichtingen en twee maal 0,5 punt voor de reactie op het (aanvullend) rapport van de deskundige, met een waarde per punt van € 934,-). Daarnaast is een factuur van de huisarts van € 41,80 ingediend. Ook die kosten dient het Uwv te vergoeden.
3.2.
Er bestaat tevens aanleiding om de Staat en het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt met een waarde per punt van € 934,- met wegingsfactor 0,5) voor het indienen van het verzoek, door de Staat en het Uwv elk voor de helft te betalen, dus ieder € 233,50.
3.3.
In totaal bedragen de door het Uwv aan appellante te vergoeden proceskosten, € 5.412,30. De door de Staat te vergoeden proceskosten bedragen € 233,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 727,27;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.272,73;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 5.412,30;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 233,50;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht van in totaal € 183,-vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) M.G.J. van Eck

Voetnoten

1.CRvB 13 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1677.
2.CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
3.CRvB 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.
4.Vgl. RvS 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:246.
5.CRvB 7 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2978.
6.HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.