ECLI:NL:CRVB:2026:854
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Toekenning schadevergoeding en proceskosten wegens overschrijding redelijke termijn WIA-procedure
Appellante had een WIA-uitkering aangevraagd en bezwaar gemaakt tegen een eerdere beslissing van het UWV. De procedure duurde ruim vijf jaar, wat de redelijke termijn volgens het EVRM aanzienlijk overschreed. Na een tussenuitspraak van de Raad op 13 november 2025 nam het UWV op 7 januari 2026 een nieuwe beslissing die aan de bezwaren tegemoetkwam. Hierdoor trok appellante haar hoger beroep in en verzocht zij om proceskostenvergoeding en schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad beoordeelde dat de totale procedure te lang had geduurd, waarbij het gedeelte van de overschrijding tussen het instellen van het beroep bij de rechtbank en de tussenuitspraak deels voor rekening van de Staat kwam en deels voor het UWV. De schadevergoeding werd berekend op € 2.000,-, waarvan € 727,27 voor rekening van het UWV en € 1.272,73 voor de Staat. Daarnaast werden proceskosten toegekend aan appellante, waarbij het UWV en de Staat respectievelijk € 5.412,30 en € 233,50 moesten vergoeden.
De Raad besloot het hoger beroep niet inhoudelijk te behandelen vanwege de intrekking en sloot het onderzoek. De uitspraak werd gedaan door F.M. Rijnbeek, in aanwezigheid van griffier M.G.J. van Eck, op 1 juli 2026.
Uitkomst: Het UWV en de Staat worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn in de WIA-procedure.