ECLI:NL:CRVB:2026:895

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
25/1094 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015Art. 4.7 Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015Art. 9.1 Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015Art. 2.1.2 Wmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing maatwerkvoorziening woningaanpassing wegens voorzienbaarheid verhuizing

Appellant, rolstoelafhankelijk en met beperkte mobiliteit, verhuisde van een volledig aangepaste studio naar een rolstoeltoegankelijk driekamerappartement met een standaardkeuken. Hij vroeg een maatwerkvoorziening voor een onderrijdbare keuken aan, die door het college werd afgewezen omdat de verhuizing zonder medische noodzaak was en de problemen voorzienbaar waren.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit. Appellant voerde aan dat de verhuizing noodzakelijk was vanwege sociale redenen en dat bijzondere omstandigheden toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigden. De Raad oordeelde dat de verhuizing voorzienbaar was en dat de hardheidsclausule niet van toepassing was, mede omdat appellant ter zitting verklaarde dat hij voor het koken afhankelijk was van anderen.

De Raad bevestigde dat het college terecht de aanvraag afwees op grond van de verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015, waarin voorzienbaarheid en afschrijvingstermijn van voorzieningen belangrijke criteria zijn. Het hoger beroep werd verworpen en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De aanvraag voor een maatwerkvoorziening voor een onderrijdbare keuken wordt afgewezen omdat de verhuizing naar een woning met standaardkeuken voorzienbaar was.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/1094 WMO15
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 april 2025, 24/3729 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 2 juli 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de vraag of het college de aanvraag voor een maatwerkvoorziening voor een woningaanpassing terecht heeft afgewezen. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend omdat het voor appellant voorzienbaar was dat de standaardkeuken in zijn nieuwe woning voor problemen zou zorgen in het gebruik ervan. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college de maatwerkvoorziening had moeten verstrekken is geen sprake.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens appellant heeft mr. S.N. Arikan, advocaat, nadere gronden ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 mei 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Arikan. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.D. Mensing van Charante.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren in 1993, is bekend met beperkte mobiliteit en is rolstoelafhankelijk.
1.2.
Appellant was tot november 2020 woonachtig bij zijn ouders. Op 20 november 2020 is appellant verhuisd naar een studio. Deze studio is met een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) volledig aangepast aan de beperkingen van appellant, met onder meer een onderrijdbare keuken. Op 6 mei 2021 is de (eerste) zoon van appellant geboren.
1.3.
Appellant is op 8 januari 2024 verhuisd naar een rolstoeltoegankelijk driekamerappartement met daarin een standaardkeuken. Op diezelfde datum heeft appellant een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening voor een woningaanpassing op grond van de Wmo 2015, namelijk een onderrijdbare keuken.
1.4.
Met een besluit van 12 februari 2024, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 29 mei 2024 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Het college heeft aan de besluitvorming, verwijzend naar een advies van Argonaut van 22 januari 2024, ten grondslag gelegd dat appellant zonder medische noodzaak is verhuisd van een geschikte naar een ongeschikte woning en had kunnen voorzien dat de standaardkeuken in het driekamerappartement voor ongemak zou zorgen. Daarbij was de normale afschrijvingstermijn van de onderrijdbare keuken in de studio nog niet verstreken. Ook zijn er alternatieven bij het gebruik van de standaardkeuken.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten. Volgens de rechtbank heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat appellant van een voor hem geschikte woning naar een niet geschikte woning is verhuisd zonder een medische noodzaak daartoe. Niet in geschil is dat de studio volledig voor appellant geschikt was op het moment dat hij ging verhuizen. Voor de aanname van appellant dat ook een sociale reden, namelijk dat de studio te klein was voor appellant en zijn kind, een reden kan zijn voor verhuizing ziet de rechtbank geen grond in de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 (verordening). In de verordening is bepaald dat een voorziening niet wordt toegekend wanneer de problemen voorzienbaar zijn. In het geval van appellant was bij de verhuizing voorzienbaar dat de standaardkeuken tot problemen zou leiden. Ook de omstandigheid dat de keuken in de studio nog niet was afgeschreven is een afwijzingsgrond in de verordening. Wat appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college de aanvraag van appellant met toepassing van de hardheidsclausule had moeten toewijzen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om een maatwerkvoorziening in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Voorzienbaarheid
4.1.
Wat appellant heeft aangevoerd, komt erop neer dat geen sprake is van voorzienbaarheid zoals bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onder d, van de verordening. Volgens appellant is hij verhuisd vanwege zwaarwegende en feitelijk dwingende omstandigheden, namelijk dat de studio niet geschikt was voor bewoning door hem en zijn opgroeiende zoon. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.2.
Volgens artikel 4.1, derde lid, onder d, van de verordening hanteert het college bij de beoordeling van de aanvraag het criterium dat geen sprake is van voorzienbaarheid. Gelet op de omstandigheid dat appellant in zijn studio een aanvraag heeft gedaan op grond van de Wmo 2015 voor een onderrijdbare keuken, die door het college is verstrekt, kon appellant voorzien dat het gebruik van de standaardkeuken in het driekamerappartement voor problemen zou zorgen. In die zin was de gevraagde aanpassing voorzienbaar. Dat appellant, omdat zijn studio voor hem was aangepast, ervan uitging dat ook deze keuken zou worden aangepast kan niet leiden tot het oordeel dat het college tot deze aanpassing gehouden was.
4.3.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college de aanvraag van appellant heeft mogen afwijzen op de grond dat het voor appellant bij de verhuizing naar het driekamerappartement voorzienbaar was dat een aanpassing van de keuken noodzakelijk zou zijn. Net als de rechtbank komt de Raad dan ook niet toe aan bespreking van de gronden van appellant gericht tegen afschrijving van de onderrijdbare keuken in de studio en de alternatieven bij het gebruik van de standaardkeuken in het driekamerappartement.
Bijzondere omstandigheden
4.4.
Wat appellant verder heeft aangevoerd, begrijpt de Raad zo dat volgens appellant sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college, gelet op het evenredigheidsbeginsel en de hardheidsclausule van artikel 9.1 van de verordening, de maatwerkvoorziening had moeten verstrekken. Deze bijzondere omstandigheden zijn volgens appellant daarin gelegen dat hij zonder aangepaste keuken niet op een veilige wijze voedsel voor zichzelf en zijn kinderen kan bereiden. Deze beroepsgrond slaagt alleen al niet, omdat appellant ter zitting heeft verklaard dat zijn ouders en zijn vriendin voor hem en zijn kinderen koken. Dit betekent dat in deze levensbehoefte wordt voorzien. Ook anderszins is de Raad niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college de maatwerkvoorziening had moeten verstrekken. De Raad kan begrijpen dat appellant blij was dat hij in de moeilijke woningmarkt van Amsterdam al na een relatief korte zoektijd een grotere woning had gevonden, maar ziet daarin geen grond om tot het oordeel te komen dat het college de hardheidsclausule had moeten toepassen.

Conclusie en gevolgen

4.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om een maatwerkvoorziening in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders als voorzitter en C.W.C.A. Bruggeman en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.

(getekend) K.H. Sanders

(getekend) A.A. Verweij

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels

Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015
Artikel 4.1 criteria maatwerkvoorziening algemeen
(…)
3. Bij de beoordeling van de aanvraag hanteert het college in aanvulling op de voorgaande leden en met inachtneming van het beleidsplan op grond van artikel 2.1.2 van de wet in ieder geval de volgende criteria:
(…)
d. er is geen sprake van voorzienbaarheid, waaronder begrepen kosten die de cliënt reeds voor het indienen van de aanvraag heeft gemaakt;
(…)
f. het college vergoedt of verstrekt geen voorziening als de normale afschrijvingstermijn van de eerder vergoede of verstrekte gelijkwaardige voorziening nog niet is verstreken of deze technisch nog niet is afgeschreven, tenzij deze voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen.
Artikel 4.7 aanvullende criteria voor woonvoorzieningen
1. In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor een woonvoorziening als hij
a. aantoonbare beperkingen heeft bij het normaal gebruik van zijn woning, en
b. alles heeft gedaan om een geschikte woning te bewonen (…)
Artikel 9.1 hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt met een vastgestelde ondersteuningsbehoefte afwijken van de bepalingen van deze verordening, als toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam januari 2024
Paragraaf 4.1 Algemeen
(…)
Voorzienbaarheid
(artikel 4.1, derde lid onder d Wmo-verordening 2015)
Bij een concreet en duidelijk probleem dat is ontstaan door een bepaalde keuze, die iemand maakt, en die vermijdbaar was gaat de gemeente ervan uit dat je hierop anticipeert.
(…)
Paragraaf 4.8.2 woonruimteaanpassingen
(…)
Uitsluitingen
(….)
d. verhuizing naar ongeschikte woning
Bij verhuizing naar een ongeschikte woning komen de noodzakelijke aanpassingen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat bij een dergelijke verhuizing de problemen voorzienbaar waren.
(…)