ECLI:NL:CRVB:2026:933

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
24/1716 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.8 Wmo 2015Art. 6:22 AwbWmo 2015Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging schending medewerkingsverplichting Wmo 2015 door weigering huisbezoek

Appellante had bij het college aanvragen ingediend voor maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015 en bijzondere bijstand. Het college kende een tegemoetkoming toe voor vervoer, maar wees een aanvraag voor liggend vervoer af vanwege het ontbreken van medische noodzaak. De rechtbank stelde een nader onderzoek in, waarbij een huisbezoek verplicht werd gesteld om de thuissituatie van appellante in beeld te brengen.

Appellante weigerde het huisbezoek vanwege haar gezondheidstoestand, maar kon dit niet met voldoende medische stukken onderbouwen. Het college kon daardoor niet voldoen aan de onderzoeksplicht en stelde dat de medewerkingsverplichting was geschonden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit.

In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelt dat appellante onvoldoende heeft aangetoond dat haar gezondheid het huisbezoek onmogelijk maakte. Het weigeren van het huisbezoek betekent een schending van de medewerkingsverplichting, waardoor het college niet kon beoordelen of de voorzieningen onder de Wmo 2015 vielen. Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit blijft in stand wegens schending van de medewerkingsverplichting door appellante.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1716 WMO15
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 juni 2024, 22/1346 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het College van Burgemeester en Wethouders van Aalten (college)
Datum uitspraak: 16 juli 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de vraag of appellante de medewerkingsverplichting uit de Wmo 2015 heeft geschonden door niet mee te werken aan een huisbezoek. Net als de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.S. Eisenberger, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 oktober 2025. Voor appellante zijn verschenen mr. Eisenberger en [naam]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.R.J. Visser en E.J.A.M. Lenting.
Het onderzoek ter zitting is geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen er samen uit te komen. Partijen hebben de Raad laten weten dat zij geen overeenstemming hebben bereikt. Partijen hebben hierbij nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 18 juni 2026. Voor appellante zijn verschenen mr. Eisenberger en de heer [naam]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Visser.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren in 1969, heeft bij het college aanvragen ingediend voor maatwerkvoorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Hierbij heeft zij onder meer verzocht om een maatwerkvoorziening voor liggend vervoer en om vergoeding van diverse kosten.
1.2.
Met een besluit van 26 november 2021 heeft het college aan appellante voor een periode van zes maanden een maatwerkvoorziening verstrekt in de vorm van een tegemoetkoming van € 1.500,- in de kosten van het vervoer voor het bezoeken van haar broer in het hospice. Het verzoek om een maatwerkvoorziening voor liggend vervoer is afgewezen omdat niet is komen vast te staan dat er een (medische) noodzaak is voor liggend vervoer. Het college heeft zich daarbij gebaseerd op een medisch advies van Argonaut van 10 oktober 2021.
1.3.
Met een afzonderlijk besluit van 26 november 2021 heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen omdat niet kan worden vastgesteld dat er een medische noodzaak is voor de door appellante opgegeven kosten. Ook zijn er geen dringende redenen.
Met een besluit van 5 juli 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het onder 1.2 genoemde besluit van 26 juli 2021 gegrond verklaard en dit besluit herroepen. In plaats daarvan heeft het college een tegemoetkoming van € 3.000,- in de kosten van vervoer toegekend tot 1 juli 2023. Deze tegemoetkoming is toegekend voor een vervoersvoorziening in verband met sociale participatie. Verder heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 26 juli 2021 over de bijzondere bijstand ongegrond verklaard.
1.4.
Appellante heeft beroep ingesteld en onder meer aangevoerd dat het college geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht. De rechtbank heeft het beroep behandeld op een zitting van 15 november 2023 en het onderzoek ter zitting geschorst. Mede gelet op wat ter zitting is besproken, heeft de rechtbank een nader onderzoek door het college aangewezen geacht. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld dat onderzoek in te stellen waarbij, voor zover hier van belang, het college een huisbezoek moest afleggen om de situatie bij appellante in beeld te brengen en het stappenplan als bedoeld in de uitspraak van de Raad van 21 maart 2018 [1] gevolgd moest worden. De rechtbank heeft het wenselijk geacht dat met appellante zou worden besproken of zij zich hierbij zou willen laten bijstaan door een terzake kundig iemand (bijvoorbeeld haar gemachtigde), omdat het ingewikkelde regelgeving betreft.
1.5.
Het college heeft op 15 januari 2024 contact opgenomen met appellante om een afspraak te maken voor het huisbezoek. Appellante heeft hierop gereageerd met de mededeling dat zij onmogelijk nog huisbezoek kan ontvangen.
1.6.
Met een brief van 18 januari 2024 heeft het college aan de rechtbank laten weten dat het college niet kan voldoen aan dit deel van de opdracht van de rechtbank en evenmin aan de onderzoeksplicht op basis van de Wmo 2015, omdat appellante een huisbezoek afwijst.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het college het stappenplan niet heeft gevolgd. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank heeft in de schorsingsbeslissing vastgesteld dat een huisbezoek noodzakelijk is. Appellante heeft hieraan niet willen meewerken en heeft daarmee niet voldaan aan de medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo 2015. Het college is hiermee de mogelijkheid onthouden om de situatie van appellante in beeld te brengen volgens het stappenplan. Niet valt uit te sluiten dat een huisbezoek alsnog aanleiding zou hebben gegeven tot het instellen van een medisch onderzoek, maar het dossier biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om een dergelijk onderzoek op voorhand in te stellen, zonder appellante eerst zelf te hebben gesproken en zonder de thuissituatie in beeld te hebben gebracht. De rechtbank ziet gelet op de schending van de medewerkingsverplichting aanleiding het gebrek in het bestreden besluit te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft hierbij voor zover van belang betrokken dat het college vanwege de schending van de medewerkingsverplichting niet heeft kunnen beoordelen of de gevraagde voorzieningen vallen onder de reikwijdte van de Wmo 2015.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt de aangevallen uitspraak aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Anders dan appellante heeft gesteld heeft de Raad bij de schorsing van het onderzoek geen instructies gegeven, maar partijen uitsluitend in de gelegenheid gesteld om samen tot een oplossing van het geschil te komen, mede met het oog op een nieuwe procedure die nog bij de rechtbank loopt. Hierbij heeft de Raad de door partijen gemaakte afspraken weergegeven. Nu partijen hierover geen overeenstemming hebben bereikt, beperkt het geschil in hoger beroep zich gelet op de beroepsgronden tot de vraag of appellante de medewerkingsverplichting heeft geschonden door niet mee te werken aan het huisbezoek zoals dat door de rechtbank was opgedragen.
4.2.
Net als de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend. Appellante heeft gesteld dat zij wel heeft willen meewerken aan een huisbezoek, maar dat dit niet mogelijk was vanwege haar gezondheidssituatie. Appellante heeft echter niet met stukken onderbouwd dat haar gezondheidstoestand het toen niet toeliet om af te spreken. De omstandigheid dat bij haar inmiddels de diagnose ME/CVS is gesteld en dat zij prikkelgevoelig is, is hiervoor onvoldoende. Dat geldt ook voor de stelling dat inspanning in het algemeen leidt tot een toename van symptomen en beperkingen gedurende meerdere dagen. Uit geen van de stukken die appellante heeft overgelegd blijkt dat zij destijds geheel niet in staat was om mee te werken aan het huisbezoek, zoals dat door de rechtbank nodig is geacht. Door dit huisbezoek te weigeren, heeft appellante de medewerkingsverplichting geschonden. Wat appellante heeft aangevoerd over het kennelijk door het college in de nieuwe procedure bij de rechtbank voorgestelde medisch onderzoek door Argonaut maakt dit niet anders, omdat het in de aangevallen uitspraak niet gaat over dat onderzoek, maar om een huisbezoek om de thuissituatie in kaart te brengen. Dat een dergelijk huisbezoek niet nodig was, omdat het college destijds al over voldoende informatie beschikte om de hulpvraag, de beperkingen en de ondersteuningsbehoefte van appellante vast te stellen volgt de Raad alleen al niet, omdat dit in tegenspraak is met wat appellante in beroep heeft aangevoerd en met wat op 15 november 2023 ter zitting van de rechtbank is besproken.

Conclusie en gevolgen

4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins als voorzitter en K.H. Sanders en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.

(getekend) D. Hardonk-Prins

(getekend) A.A. Verweij

Voetnoten

1.ECLI:NLCRVB:2018:819.