ECLI:NL:CRVB:2026:933
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schending medewerkingsverplichting Wmo 2015 door weigering huisbezoek
Appellante had bij het college aanvragen ingediend voor maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015 en bijzondere bijstand. Het college kende een tegemoetkoming toe voor vervoer, maar wees een aanvraag voor liggend vervoer af vanwege het ontbreken van medische noodzaak. De rechtbank stelde een nader onderzoek in, waarbij een huisbezoek verplicht werd gesteld om de thuissituatie van appellante in beeld te brengen.
Appellante weigerde het huisbezoek vanwege haar gezondheidstoestand, maar kon dit niet met voldoende medische stukken onderbouwen. Het college kon daardoor niet voldoen aan de onderzoeksplicht en stelde dat de medewerkingsverplichting was geschonden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelt dat appellante onvoldoende heeft aangetoond dat haar gezondheid het huisbezoek onmogelijk maakte. Het weigeren van het huisbezoek betekent een schending van de medewerkingsverplichting, waardoor het college niet kon beoordelen of de voorzieningen onder de Wmo 2015 vielen. Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit blijft in stand wegens schending van de medewerkingsverplichting door appellante.