ECLI:NL:CRVB:2026:94
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over ingangsdatum WIA-uitkering bij samenstelling ziekteperiodes rondom WAZO-periode
Appellante, werkzaam als fysiotherapeut/manueel therapeut, meldde zich op 10 oktober 2016 ziek vanwege zwangerschapsklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Van 24 januari tot 20 mei 2017 ontving zij een WAZO-uitkering, waarna zij zich opnieuw ziekmeldde per 22 mei 2017. Het UWV kende haar een WIA-uitkering toe met ingang van 1 februari 2019, waarbij ziekteperiodes vóór en na de WAZO-periode werden samengeteld.
De rechtbank stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 52,3% per 1 februari 2019, maar volgde appellante niet in haar standpunt dat de ziekteperiodes niet samengeteld mochten worden. Appellante stelde in hoger beroep dat haar arbeidsongeschiktheid vóór en na de WAZO-periode niet uit dezelfde oorzaak voortvloeide, onderbouwd met medische stukken die nier- en urinewegproblemen dominant stelden vóór de WAZO-periode.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat dezelfde ziekteoorzaak bestond, maar de Raad vond deze motivering onvoldoende overtuigend. De Raad oordeelde dat de arbeidsongeschiktheid vóór en na de WAZO-periode niet uit dezelfde oorzaak voortkomt, waardoor de wachttijd van 104 weken opnieuw start vanaf 22 mei 2017. De ingangsdatum van de WIA-uitkering wordt daarom vastgesteld op 20 mei 2019.
De Raad vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank dat de ingangsdatum op 1 februari 2019 stelde, bevestigde de rest van de uitspraak, en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: De ingangsdatum van de WIA-uitkering wordt vastgesteld op 20 mei 2019, met een arbeidsongeschiktheid van 52,3%.