ECLI:NL:CRVB:2026:94

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
22/3611 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 Wet WIAArt. 8:72 AwbArt. 3:7 Wet arbeid en zorgArt. 3:8 Wet arbeid en zorgArt. 3:10 Wet arbeid en zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over ingangsdatum WIA-uitkering bij samenstelling ziekteperiodes rondom WAZO-periode

Appellante, werkzaam als fysiotherapeut/manueel therapeut, meldde zich op 10 oktober 2016 ziek vanwege zwangerschapsklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Van 24 januari tot 20 mei 2017 ontving zij een WAZO-uitkering, waarna zij zich opnieuw ziekmeldde per 22 mei 2017. Het UWV kende haar een WIA-uitkering toe met ingang van 1 februari 2019, waarbij ziekteperiodes vóór en na de WAZO-periode werden samengeteld.

De rechtbank stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 52,3% per 1 februari 2019, maar volgde appellante niet in haar standpunt dat de ziekteperiodes niet samengeteld mochten worden. Appellante stelde in hoger beroep dat haar arbeidsongeschiktheid vóór en na de WAZO-periode niet uit dezelfde oorzaak voortvloeide, onderbouwd met medische stukken die nier- en urinewegproblemen dominant stelden vóór de WAZO-periode.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat dezelfde ziekteoorzaak bestond, maar de Raad vond deze motivering onvoldoende overtuigend. De Raad oordeelde dat de arbeidsongeschiktheid vóór en na de WAZO-periode niet uit dezelfde oorzaak voortkomt, waardoor de wachttijd van 104 weken opnieuw start vanaf 22 mei 2017. De ingangsdatum van de WIA-uitkering wordt daarom vastgesteld op 20 mei 2019.

De Raad vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank dat de ingangsdatum op 1 februari 2019 stelde, bevestigde de rest van de uitspraak, en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.

Uitkomst: De ingangsdatum van de WIA-uitkering wordt vastgesteld op 20 mei 2019, met een arbeidsongeschiktheid van 52,3%.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
22/3611 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 23 augustus 2022, 20/2265 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[werkgeefster] (werkgeefster)
Datum uitspraak: 21 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de ingangsdatum van de WIA-uitkering. Het Uwv heeft de ziekteperiodes direct voorafgaand aan en aansluitend op de periode waarin appellante een WAZO-uitkering ontving samengeteld op grond van artikel 23, derde lid, onder a, van de Wet WIA. Appellante is van mening dat de ziekteperiodes niet samengeteld moeten worden, omdat haar arbeidsongeschiktheid in deze periodes niet redelijkerwijs geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. De Raad volgt appellante hierin en bepaalt dat de WIA-uitkering niet ingaat op 1 februari 2019 maar op 20 mei 2019.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 26 januari 2023 heeft mr. A. Borgers zich als gemachtigde van appellante gesteld. Mr. Borgers heeft de gronden van hoger beroep aangevuld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Werkgeefster heeft als belanghebbende aan de procedure deelgenomen. Namens werkgeefster heeft mr. A.T. Meijhuis, advocaat, zich als gemachtigde gesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 november 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Borgers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas. Werkgeefster is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante is werkzaam geweest als fysiotherapeut/manueel therapeut voor gemiddeld 28 uur per week. Op 10 oktober 2016 heeft zij zich voor dit werk ziekgemeld met klachten als gevolg van zwangerschap. Het Uwv heeft haar een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Van 24 januari 2017 tot 20 mei 2017 heeft appellante een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) ontvangen. Aansluitend aan de WAZO-periode heeft appellante zich opnieuw ziekgemeld per 22 mei 2017 en is haar opnieuw een ZW-uitkering toegekend.
1.2.
Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 11 juni 2019. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 51,39%. Het Uwv heeft bij besluit van 27 juni 2019 aan appellante met ingang van 1 februari 2019 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Hierbij is het Uwv uitgegaan van 10 oktober 2016 als eerste ziektedag en zijn de ziekteperiodes voorafgaand aan en aansluitend op de WAZO-uitkering samengeteld. De einddatum van de loongerelateerde periode is bepaald op 1 december 2019.
1.3.
Op 22 oktober 2019 heeft het Uwv opnieuw een besluit genomen tot toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering aan appellante. In dit besluit is de einddatum van de loongerelateerde periode gewijzigd naar 16 maart 2020. Voor het overige luidt het besluit hetzelfde als het besluit van 27 juni 2019.
1.4.
Bij besluit van 22 juli 2020 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen het besluit van 27 juni 2019 en het besluit van 22 oktober 2019 ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de mate van arbeidsongeschiktheid nader berekend op 50,75%.
1.5.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. In beroep heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een rapport van 10 februari 2021 de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw berekend op 52,3%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is gehandhaafd op 50,75% en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien en de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 februari 2019 vastgesteld op 52,3% en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. Ook heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de in bezwaar en beroep gemaakte kosten en het Uwv opgedragen om het griffierecht aan appellante te vergoeden.
2.1.
Hiertoe heeft de rechtbank – voor zover van belang – overwogen dat in bezwaar de resterende verdiencapaciteit is gewijzigd en dat dit had moeten leiden tot een gegrond bezwaar en vergoeding van de door appellante in bezwaar gemaakte kosten. Verder is het bestreden besluit niet juist, omdat in beroep het arbeidsongeschiktheidspercentage is gewijzigd naar 52,3%. Het standpunt van appellante dat de ingangsdatum van de WIAuitkering niet juist is vastgesteld, omdat vanaf 22 mei 2017 een nieuwe wachttijd van 104 weken is gaan lopen, heeft de rechtbank niet gevolgd. Het Uwv heeft met de rapporten van de verzekeringsartsen afdoende en overtuigend gemotiveerd dat aan de ziekmelding van appellante per 22 mei 2017 dezelfde ziekteoorzaak ten grondslag ligt als aan de ziekmelding per 10 oktober 2016, namelijk bekkenklachten (bekkeninstabiliteit). De rechtbank heeft geen reden gezien om aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen. Daaruit volgt dat het Uwv terecht is uitgegaan van 10 oktober 2016 als eerste ziektedag en de ziekteperiodes van vóór de WAZO-uitkering en ná de WAZO-uitkering heeft samengeteld. De ingangsdatum van de WIA-uitkering is dus terecht vastgesteld op 1 februari 2019.
Het standpunt van appellante
3. Het hoger beroep van appellante is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de ingangsdatum van de WIA-uitkering. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat haar arbeidsongeschiktheid vóór en na de WAZO-periode niet redelijkerwijs kan worden geacht voort te vloeien uit dezelfde ziekteoorzaak en deze ziekteperiodes dus niet mogen worden samengeteld. Appellante is van mening dat het onderzoek door het Uwv niet zorgvuldig is verricht, omdat ten onrechte geen informatie is opgevraagd bij haar gynaecoloog, uroloog, huisarts en bekkenfysiotherapeut. Zij heeft verder naar voren gebracht dat zij voorafgaand aan de WAZO-periode nier-, nierbekken- en urinewegproblemen had. Die aandoeningen waren dominant en hadden de grootste invloed op haar arbeidsongeschiktheid. De lichte bekkenklachten die vlak voor de WAZO-periode zijn begonnen, waren hier volledig ondergeschikt aan. Pas na de bevalling zijn echte bekkenklachten ontstaan. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verschillende stukken ingediend, waaronder notities van de bedrijfsarts en informatie van haar behandelaren. Als de Raad haar standpunt niet volgt, heeft zij de Raad verzocht om een deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. In een rapport van 22 april 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de (medische) stukken die appellante in hoger beroep heeft ingediend geen aanleiding geven om te komen tot een ander standpunt over de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid vóór en na de WAZO-periode. Het Uwv blijft dus bij het standpunt dat sprake is van dezelfde ziekteoorzaak vóór en na de WAZO-periode.
Het standpunt van werkgeefster
5. Werkgeefster heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de Raad.

Het oordeel van de Raad

6. Niet in geschil is dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante terecht heeft vastgesteld op 52,3% en terecht een WGA-uitkering aan haar heeft toegekend. Partijen verschillen uitsluitend van mening over de ingangsdatum van deze uitkering. Het gaat daarbij in het bijzonder om de vraag of het Uwv terecht de periodes van arbeidsongeschiktheid direct voorafgaand aan en aansluitend op de WAZO-periode heeft samengeteld en meer in het bijzonder of de arbeidsongeschiktheid voorafgaand aan de WAZO-periode voortkomt uit bekkenklachten of uit andere klachten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn ook te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
6.2.
Op grond van artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA geldt, voordat een verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze wet, een wachttijd van 104 weken. In artikel 23, derde lid, van de Wet WIA is bepaald – kortgezegd – dat bij het bepalen van de wachttijd periodes direct voorafgaand aan en aansluitend op een WAZO-uitkering samen worden geteld, tenzij de ongeschiktheid in deze periodes redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
6.3.
In het rapport van 22 april 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep uiteengezet dat appellante zich per 10 oktober 2016 (gedeeltelijk) heeft ziekgemeld met klachten vanwege een (reeds behandelde) blaasontsteking die op 14 oktober 2016 niet meer aantoonbaar was. Op 25 oktober 2016 werd opnieuw een urineweginfectie overwogen waarvoor appellante een antibioticumkuur van een week kreeg waardoor zij zich een week later een stuk beter voelde. Nadien waren urinekweken op 7 november, 15 november en 6 december 2016 negatief en was dus geen sprake meer van een blaasontsteking, ook al hield appellante flankpijn rechts. Bij het ingaan van de WAZO-uitkering meldde appellante klachten van vena cava compressie, een normaal verschijnsel in de zwangerschap, veroorzaakt door een zwaarder wordende baarmoeder, maar geen andere klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat vanaf 1 november 2016 tot aan de ingangsdatum van de WAZO-uitkering geen sprake meer was van objectiveerbare blaasontstekingen en deze klachten dus niet de hele zwangerschap dominant waren. De licht zeurende pijn in de rechterflank kon niet worden toegeschreven aan de minimale (fysiologische) hydronefrose terwijl op de UPC stenose slechts een verdenking bestond. Als appellante in het tijdvak van 1 november 2016 tot de ingangsdatum van de WAZO-uitkering beperkingen heeft ervaren dan waren deze volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet meer toe te schrijven aan urologische pathologie. Het is juist dat in het journaal van de huisarts over de periode van 11 juli 2016 tot en met 21 maart 2017 geen melding wordt gemaakt van bekkenklachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst er echter op dat in verschillende andere stukken, onder andere door appellante zelf, melding wordt gemaakt van rug-/bekkenklachten tijdens de zwangerschap. Gelet daarop moet volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep worden geconcludeerd dat voorafgaand aan en aansluitend op de WAZO-periode sprake was van dezelfde ziekteoorzaak, namelijk rug/bekkenklachten.
6.4.
De Raad acht deze motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet overtuigend. Appellante heeft ter zitting toegelicht, onderbouwd met door haar ingediende medische stukken, dat zij sinds 2010-2017 recidiverende urineweginfecties en nierbekkenontsteking had. Tijdens de zwangerschap speelden deze klachten weer op en dit is, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook heeft erkend, de reden waarom zij zich op 10 oktober 2016 gedeeltelijk heeft ziekgemeld. Uit de medische stukken blijkt dat appellante tijdens haar zwangerschap regelmatig contact heeft gehad met de huisarts en gynaecoloog over klachten aan de urinewegen en nieren en daarvoor ook in behandeling is geweest bij een uroloog. Over rug- en of bekkenklachten wordt in die medische stukken niet geschreven. De gynaecologische controles tussen oktober 2016 en februari 2017 vermelden alleen op 23 december 2016 ‘Wat klachten van het bekken’. Daar komt bij dat de bedrijfsarts van werkgeefster, die appellante voor het eerst heeft gezien nadat zij zich in januari 2017 volledig had ziekgemeld, in zijn verslag heeft geschreven ‘probleem is nierstuwing door vernauwing in de ureter, elke week naar gynaecoloog die nu rust adviseert. Is ook de recent volledig gestopt met werken’. Dit alles wijst erop dat de arbeidsongeschiktheid voorafgaand aan de WAZO-uitkering voornamelijk was gelegen in klachten aan de blaas en/of nieren. Dat in enkele rapporten van het Uwv melding wordt gemaakt van bekkenklachten tijdens de zwangerschap doet hier niet aan af. Het rapport van 19 december 2017 ziet op de vraag of de arbeidsongeschiktheid na de ziekmelding van 22 mei 2017, toen appellante bekkenklachten had, in december 2017 nog altijd het gevolg was van bevalling of zwangerschap. Het rapport van 24 mei 2019 ziet op de WIAbeoordeling en niet op een beoordeling van de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid voorafgaand aan de WAZO-periode. De summiere vermelding in deze rapporten van bekkenklachten tijdens de zwangerschap geeft geen onderbouwing voor de conclusie dat deze klachten voorafgaand aan de WAZO-periode de overhand hadden. Appellante heeft toegelicht dat zij naar mate de zwangerschap vorderde wel wat last kreeg van haar bekken, maar dat dit niet de reden was waarom zij haar werk als fysiotherapeut/manueel therapeut niet kon verrichten. Gelet op het geheel aan beschikbare informatie wordt geconcludeerd dat de arbeidsongeschiktheid voorafgaande aan en aansluitend op de WAZO-periode redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
7. Uit het voorgaande volgt dat de ziekteperiodes voorafgaande aan en aansluitend op de WAZO-periode niet op grond van artikel 23, derde lid, onder a, van de Wet WIA moeten worden samengeteld en dat dus vanaf de ziekmelding per 22 mei 2017 opnieuw een wachttijd van 104 weken is gaan lopen. Dit betekent dat de ingangsdatum van de WIAuitkering moet worden bepaald op 20 mei 2019.

Conclusie en gevolgen

7.1.
Het hoger beroep slaagt dus. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd voor zover de rechtbank daarin de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 1 februari 2019 heeft vastgesteld op 52,3%. Om te komen tot een definitieve beslechting van het geschil wordt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien en bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 20 mei 2019 wordt vastgesteld op 52,3%.
8. Omdat het hoger beroep slaagt krijgt appellante een vergoeding voor de proceskosten die zij in deze procedure redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het aanvullend hoger beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-). Ook de reiskosten die appellante heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting, ter hoogte van € 30,- (op basis van openbaar vervoer 2e klasse), komen voor vergoeding in aanmerking. Het totale bedrag aan proceskosten bedraagt € 1.898,-.
8.1.
Ook moet het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank daarin de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 1 februari 2019 heeft vastgesteld op 52,3%;
- stelt de ingangsdatum van het recht op een WIA-uitkering vast op 20 mei 2019 en de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum op 52,3%;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.898,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, als voorzitter en D.S. de Vries en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.
(getekend) E. Dijt
(getekend) C.M. Snellenberg

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 23 van Pro de Wet WIA:
1. Voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze wet geldt voor hem een wachttijd van 104 weken.
2. Als eerste dag van de wachttijd geldt de eerste werkdag al dan niet in een dienstbetrekking waarop door de verzekerde wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld en kunnen dagen waarop niet zou worden gewerkt als werkdag worden aangemerkt.
3. Bij het bepalen van de wachttijd worden de volgende perioden in aanmerking genomen:
a. perioden waarin recht bestaat op ziekengeld als bedoeld in de Ziektewet en de daarop berustende bepalingen worden in aanmerking genomen en worden samengeteld, indien zij:
1. elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; of
2. direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid voorafgaande aan en de ongeschiktheid aansluitende op die periode redelijkerwijs niet geacht kunnen worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak; en
b. perioden die niet al op grond van onderdeel a meetellen maar waarin de verzekerde ongeschikt is geweest voor zijn arbeid. Deze perioden worden samengeteld, indien zij:
1. elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; of
2. direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid voorafgaande aan en de ongeschiktheid aansluitende op die periode redelijkerwijs niet geacht kunnen worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
[…]