ECLI:NL:CRVB:2026:954

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
23/3065 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 1 PWArt. 7 lid 1 Verordening re-integratie en tegenprestatie Participatiewet gemeente Noord-Beveland 2017Art. 2.4 Beleidsregels re-integratie Gemeenschappelijke Regeling de BevelandenArt. 3.8 Beleidsregels re-integratie Gemeenschappelijke Regeling de BevelandenArt. 9 lid 1 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding kosten opleiding tot piloot wegens niet-noodzakelijkheid voor arbeidsinschakeling

Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en vroeg vergoeding van de kosten van een opleiding tot piloot, circa € 67.000, als re-integratievoorziening. Het dagelijks bestuur wees de aanvraag af omdat de opleiding niet noodzakelijk werd geacht voor het vergroten van de kansen op werk. Appellant voerde aan dat hij voldeed aan de voorwaarden en dat het dagelijks bestuur hem op grond van het vertrouwensbeginsel de kosten had moeten vergoeden.

De Raad overwoog dat het dagelijks bestuur beoordelingsruimte heeft om te bepalen welke voorzieningen noodzakelijk zijn voor arbeidsinschakeling. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij uitsluitend met de pilotenopleiding kan instromen in arbeid. Ook kon appellant niet redelijkerwijs afleiden uit gedragingen van medewerkers dat vergoeding zou worden toegekend. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en de Raad bevestigt dit oordeel.

Het hoger beroep wordt afgewezen, waardoor de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 21 juli 2026.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor vergoeding van de kosten van de pilotenopleiding wordt bevestigd omdat deze niet noodzakelijk is voor arbeidsinschakeling.

Uitspraak

23/3065 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 september 2023, 22/3438 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van Samenwerking De Bevelanden (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 21 juli 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over een afwijzing van een aanvraag om een re-integratievoorziening in de vorm van vergoeding van de kosten van een opleiding tot piloot. Volgens appellant voldeed hij aan de voorwaarden voor de voorziening. De Raad geeft appellant geen gelijk. Het dagelijks bestuur mocht het standpunt innemen dat de gewenste opleiding niet noodzakelijk was voor het vergroten van de kansen van appellant om arbeid te vinden. Verder kon en mocht appellant uit de gedragingen van de medewerkers van de gemeente niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat het dagelijks bestuur de kosten zou vergoeden.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.R. Aerts, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Met een regiebrief heeft de Raad partijen verzocht om nadere stukken in te dienen. Het dagelijks bestuur heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 juni 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Aerts. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C.M. Sandoz en S. den Braber.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving sinds 29 juli 2019 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Vanwege medische beperkingen is appellant verschillende keren ontheven van de arbeidsverplichtingen van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de PW, voor het laatst bij besluit van 5 juli 2021 tot 1 maart 2022.
1.2.
In de periode van 2019 tot en met begin 2021 heeft een klantmanager Participatie van de afdeling Werk, Inkomen en Zorg verschillende keren voortgangsgesprekken gehouden met appellant over zijn arbeidsverplichtingen en zijn medische belastbaarheid. Op 6 februari 2020 heeft appellant tijdens een gesprek verklaard dat hij nog altijd voornemens is om piloot te worden en dat hij heeft uitgezocht dat hij in Iran voor € 15.000,- een opleiding daarvoor kan volgen. De klantmanager heeft daarop geantwoord dat de gemeente dat bedrag niet kan en wil bekostigen, omdat de inschatting is dat appellant bij herstel voldoende mogelijkheden heeft om te kunnen worden bemiddeld naar betaald werk, al dan niet met toepassing van voorzieningen.
1.3.
Begin 2021 heeft appellant een nieuwe klantmanager gekregen. Zij heeft verder gekeken naar de wens van appellant om piloot te worden. Zo heeft appellant een zakelijke rekening geopend en heeft appellant een ondernemingsplan opgesteld voor een eventuele aanvraag op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Op 30 augustus 2021 heeft een medewerker van de afdeling verantwoordelijk voor de uitvoering van Bbz 2004 de klantmanager bericht dat de situatie van appellant niet passend is voor een Bbz-aanvraag omdat appellant nog een opleiding moet volgen voordat hij piloot kan worden.
1.4.
Appellant heeft vervolgens geprobeerd om een lening af te sluiten voor de kosten van de opleiding. Hij heeft zijn klantmanager laten weten dat hij dan 35% van het leenbedrag moet verstrekken. Zijn klantmanager heeft hem op 8 september 2021 bericht dat zij geen garantie kan geven voor die 35%, maar dat als hij akkoord krijgt van de bank, zij zich hard gaat maken voor de rest. Daarna heeft appellant in overleg met de klantmanager en op kosten van het dagelijks bestuur een assessment dat nodig zou zijn voor het starten van een opleiding afgelegd. Nadat is gebleken dat het afgenomen assessment niet het juiste was in de situatie van appellant, heeft hij op eigen initiatief eind 2021 een ander assessment afgelegd. Het resultaat van dat assessment was positief.
1.5.
Appellant heeft op 1 februari 2022 het dagelijks bestuur verzocht om de kosten van de opleiding tot piloot van ongeveer € 67.000,- te vergoeden, dan wel een bedrag van € 37.500,- zodat hij met de opleiding kon starten en eventueel een lening zou kunnen aangaan voor het restant.
1.6.
Met een besluit van 23 februari 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 31 mei 2022 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de aanvraag afgewezen. Aan de afwijzing van de aanvraag heeft het dagelijks bestuur onder verwijzing naar artikel 10, eerste lid, van de PW en artikel 7, eerste lid, van de Verordening re-integratie en tegenprestatie Participatiewet gemeente Noord-Beveland 2017 (hierna: de Verordening) ten grondslag gelegd dat de kosten gelet op de geldende regelgeving niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het volgen van de opleiding is niet noodzakelijk voor de kans van appellant op werkhervatting. Bovendien is er sprake van een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Appellant was ten tijde van het nemen van het besluit van 23 februari 2022 op de voet van artikel 2.4, tweede lid, van de Beleidsregels Re-integratie WIZ ingedeeld in trede 2 van de participatieladder (meer dan 12 maanden nodig om aan het werk te komen, inzet van maatschappelijke participatie). Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag voor vergoeding van opleidingskosten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De regelgeving die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Appellant heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur gelet op de relevante regelgeving zijn aanvraag niet had mogen afwijzen. Deze grond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.1.1.
Op grond van artikel 10, eerste lid, van de PW, voor zover hier van belang, heeft appellant aanspraak op de naar het oordeel van het dagelijks bestuur noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling volgt dat het dagelijks bestuur in dat kader beoordelingsruimte heeft om te bepalen welke voorzieningen noodzakelijk zijn. [1] Daarin staat onder andere dat het uiteindelijke aanbod zal moeten passen binnen wat de gemeente, hier het dagelijks bestuur, mede gelet op de beschikbare financiële kaders, in een verordening, heeft opgenomen over re-integratiebeleid. De gemeenteraad van Noord-Beveland heeft ter uitvoering daarvan in artikel 7, eerste lid, van de Verordening vastgelegd dat het college een scholingstraject kan aanbieden indien dit door het college noodzakelijk wordt geacht voor arbeidsinschakeling.
4.1.2.
Uit artikelen 2.4 en 3.8 van de Beleidsregels re-integratie van Gemeenschappelijke Regeling de Bevelanden volgt dat het dagelijks bestuur aan personen in een reintegratietraject, die dus zijn ingedeeld in trede 3 waarbij het doel is binnen twaalf maanden plaatsing op werk te realiseren, scholing kan aanbieden indien het zonder die scholing niet mogelijk is om instroom in algemeen geaccepteerde arbeid te realiseren.
4.1.3.
Gelet op de beoordelingsruimte die artikel 10, eerste lid, van de PW expliciet aan het dagelijks bestuur geeft, is het voor de beoordeling van de noodzakelijkheid van een voorziening niet doorslaggevend wat appellant in het kader van zijn arbeidsinschakeling zelf graag wil. Aangezien appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant uitsluitend met een opleiding tot piloot zou kunnen instromen in arbeid, heeft het dagelijks bestuur in redelijkheid vergoeding van de kosten van de pilotenopleiding in het kader van een voorziening op grond van artikel 10, eerste lid, van de PW mogen weigeren op de grond dat het dagelijks bestuur deze voorziening niet noodzakelijk acht voor de arbeidsinschakeling.
4.1.4.
Gelet op 4.1.3 behoeven het standpunt van appellant dat hem ten onrechte zou zijn tegengeworpen dat hij in trede 2 (inzet van maatschappelijke participatie) is ingedeeld in plaats van trede 3, en het standpunt van appellant dat het dagelijks bestuur ten onrechte aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd dat het gelet op het budget voor voorzieningen niet mogelijk was om de kosten te vergoeden, geen verdere bespreking.
4.2.
Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat het dagelijks bestuur op grond van het vertrouwensbeginsel de kosten van de opleiding had moeten vergoeden. Deze grond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.2.1.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. [2]
4.2.2.
Uit de gedragingen van de klantmanager van appellant die hem gedurende 2021 heeft geholpen, kon en mocht appellant redelijkerwijs niet afleiden dat het dagelijks bestuur de kosten van de pilotenopleiding zou vergoeden. Daarvoor is van belang dat de vorige klantmanager van appellant al in 2020 aan appellant duidelijk heeft gemaakt dat de kosten van een pilotenopleiding in het buitenland niet door het dagelijks bestuur zouden worden vergoed. Hoewel de klantmanager appellant in 2021 op verschillende wijzen heeft ondersteund bij het verkennen van de mogelijkheden van het volgen van een opleiding tot piloot, voornamelijk in het kader van een mogelijke Bbz-aanvraag, heeft zij ook duidelijk aangegeven dat zij niet kon garanderen dat het dagelijks bestuur garant zou staan voor 35% van de kosten als appellant een lening kon sluiten. Dat zij heeft aangegeven zich daar wel hard voor te willen maken, maakt niet dat appellant ervan uit mocht gaan dat dit zou lukken en dat het dagelijks bestuur de volledige kosten van de opleiding dan wel een deel daarvan zou vergoeden.

Conclusie en gevolgen

4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag voor vergoeding van opleidingskosten in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.T. Dannenberg

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke (wettelijke) regels

Participatiewet
Artikel 10, eerste lid
1. Personen die algemene bijstand ontvangen […] hebben, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8a, aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling […].
Verordening re-integratie en tegenprestatie Participatiewet gemeente Noord-Beveland 2017
Artikel 7. Scholing
Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden, indien dit door het college noodzakelijk wordt geacht voor de arbeidsinschakeling.
Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. De scholing moet passen bij de capaciteiten van de persoon, en b. duidelijk arbeidsmarktrelevant zijn.
[…]
De Beleidsregels re-integratie van Gemeenschappelijke Regeling de Bevelanden
Artikel 2.4 Diagnosestelling en indeling in doelgroepen
De diagnose dient om een beeld te krijgen van de cliënt op onderwerpen als opleiding, werkervaring, motivatie en leefomstandigheden. Deze informatie dient als belangrijke bouwsteen voor de indeling in een van de in het volgende lid genoemde doelgroepen en het uiteindelijke plan van aanpak. De diagnose kan zowel door de gemeente zelf worden gesteld als (deels) worden ingekocht, bijvoorbeeld medische adviezen.
Het Dagelijks Bestuur maakt voor de aanbieding van ondersteuning en voorzieningen een onderscheid tussen cliënten met - en cliënten zonder arbeidsperspectief. Hiertoe worden alle cliënten op basis van de diagnose ingedeeld in de tredes van de participatieladder:
[…]
2. trede 2: meer dan 12 maanden nodig om aan het werk te komen, inzet van maatschappelijke participatie;
3. trede 3: inzet van re-integratietraject; doel is binnen 12 maanden plaatsing op werk;
[…]
3. Trede 6 heeft geen ondersteuning nodig. Trede 3, 4 en 5 zijn samen de in de Reintegratieverordening genoemde cliënten ‘met een korte afstand tot de arbeidsmarkt’. Trede 1 en 2 zijn samen de in de Re-integratieverordening genoemde cliënten ‘met een grote afstand tot de arbeidsmarkt’.
Artikel 3.8 Scholing
(Artikel 7 Re Pro-integratieverordening)
Het Dagelijks Bestuur kan scholing aanbieden aan personen in een re-integratietraject, indien het zonder deze scholing niet mogelijk is, instroom in algemeen geaccepteerde arbeid te realiseren. Het Dagelijks Bestuur beoordeelt of deze scholing bijdraagt tot arbeidsinschakeling of verbetering van de uitgangspositie en verbindt hieraan een nader te bepalen termijn.
De te starten scholing moet aansluiten bij de mogelijkheden van de betrokkene en de behoeften op de arbeidsmarkt.
[…]

Voetnoten

1.Zie Kamerstukken II 2002/03 28 870, nr. 3, p. 7-8 en 38-41.
2.Zie de uitspraak van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559.