ECLI:NL:CRVB:2026:956

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
24/2626 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 lid 4 PWArt. 18 lid 5 PWArt. 18 lid 9 PWArt. 18 lid 10 PWArt. 18 lid 12 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging bijstand wegens weigering algemeen geaccepteerde arbeid

Appellant en X ontvingen bijstand sinds 2017. X kreeg via een jobcoach een proefplaatsing bij een werkgever en vervolgens een arbeidsovereenkomst aangeboden voor 24 uur per week tegen het minimumloon. X weigerde dit aanbod omdat zij vond dat het loon niet passend was bij haar kennis en ervaring.

Het college legde daarop een maatregel op door de bijstand met 100% te verlagen voor twee maanden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de aangeboden baan geen algemeen geaccepteerde arbeid was, dat er geen verwijtbaarheid was en dat er dringende redenen waren om de maatregel te matigen.

De Raad oordeelde dat de aangeboden baan reguliere arbeid tegen het minimumloon betrof en daarmee algemeen geaccepteerde arbeid is. Het enkele feit dat X meer loon wilde, gaf geen gerechtvaardigde reden tot weigering. Ook de reistijd was geen geldige reden. De Raad vond dat het college voldoende onderzoek had gedaan en dat de maatregel terecht was opgelegd. Het beroep werd afgewezen en de verlaging van de bijstand bleef van kracht.

Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 100% voor twee maanden wegens weigering van algemeen geaccepteerde arbeid wordt bevestigd.

Uitspraak

24/2626 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 november 2024, 24/2844 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee (college)
Datum uitspraak: 14 juli 2026

SAMENVATTING

Deze uitspraak gaat over een maatregel op grond van het niet nakomen van de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Appellant heeft aangevoerd dat geen sprake is van algemeen geaccepteerde arbeid, gelet op de hoogte van de beloning van de aangeboden arbeid, dat alle verwijtbaarheid ontbreekt en, subsidiair, dat er bijzondere omstandigheden zijn om de maatregel wegens dringende redenen af te stemmen. Appellant krijgt geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Kaplan, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. O.C. Bozbiyik, advocaat, heeft zich gesteld als opvolgend gemachtigde.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 juni 2026, gelijktijdig met het hoger beroep van appellant en zijn partner in de zaak met het kenmerk 24/1460 PW. Appellant en zijn partner (X) zijn verschenen, bijgestaan door mr. N. Talhaoui, advocaat en kantoorgenoot van mr. Bozbiyik. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Achahbar. In deze zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant en X ontvingen sinds 1 mei 2017 bijstand naar de norm voor gehuwden op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
In het kader van de re-integratie op de arbeidsmarkt van X heeft X via een jobcoach een proefplaatsing gekregen bij [werkgever] (werkgever) in [plaats] als reparateur van mobiele telefoons en smartwatches voor de periode van 11 april 2023 tot en met 10 mei 2023. In de proefplaatsingsovereenkomst staat onder meer dat de werkgever de intentie heeft om X na de proefplaatsing een arbeidsovereenkomst aan te bieden voor 32 tot 40 uur per week. Vanwege het succes van deze proefplaatsing heeft de werkgever X op 23 mei 2023 een arbeidsovereenkomst aangeboden voor 24 uur per week, voor de duur van zes maanden, ingaande 1 juni 2023, tegen het minimumloon. Bij gebleken bredere inzetbaarheid en als X zou groeien op het gebied van klantcontact en het nemen van initiatieven, zou na zes maanden worden gesproken over een salarisverhoging. X heeft een dag later, dus op 24 mei 2023, kenbaar gemaakt het aanbod niet te accepteren omdat het minimumloon volgens haar niet passend is bij haar specialistische kennis en ervaring en de door haar gevolgde opleiding in dit werkgebied. Het college heeft vervolgens aan X het voornemen gestuurd om met ingang van 1 augustus 2023 de bijstand gedurende twee maanden met 100% te verlagen. X heeft op 9 juni 2023 zowel mondeling – in een gesprek met een medewerker van het college – als schriftelijk haar zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht.
1.3.
Met een besluit van 19 juni 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 4 maart 2024 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant en X bij wijze van maatregel met ingang van 1 september 2023 voor de duur van twee maanden met 100% verlaagd. Aan het bestreden besluit heeft het college, zoals ter zitting nader toegelicht, ten grondslag gelegd dat X niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden of te behouden, zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder a, van de PW, omdat zij het baanaanbod bij de werkgever niet heeft geaccepteerd. Voor de duur van de verlaging heeft het college verwezen naar artikel 10, aanhef en onder b, van de Afstemmingsverordening Participatiewet, loaw en loaz GoereeOverflakkee (Afstemmingsverordening).
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de maatregel in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Het is in beginsel aan de bijstandverlenende instantie om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een maatregel is voldaan. Het opleggen van een maatregel is namelijk een voor de betrokkene belastend besluit. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. In dit geval betekent dit dat het college aannemelijk moet maken dat X de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden niet is nagekomen door het aanbod van de baan bij de werkgever niet te accepteren.
Algemeen geaccepteerde arbeid
4.2.
Vaststaat dat de werkgever een concreet baanaanbod heeft gedaan en dat X dat aanbod niet heeft geaccepteerd. Tussen partijen is in geschil of de door de werkgever aangeboden baan algemeen geaccepteerde arbeid is als bedoeld in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder a, van de PW. Volgens appellant is dat niet het geval, omdat X voor de aangeboden arbeid slechts het minimumloon zou krijgen, wat te laag is voor de functie die zij zou gaan vervullen. Bovendien kregen collega’s die hetzelfde werk deden meer betaald, wat in strijd is met het arbeidsrecht. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.2.1.
Niet in geschil is dat de aangeboden arbeid bij de werkgever reguliere arbeid tegen het minimumloon was. Alleen al daarom is sprake van algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in het vierde lid, aanhef en onder a, van artikel 18 van Pro de PW. De niet onderbouwde stellingen dat de beloning van deze arbeid hoger had moeten zijn en dat collega’s meer betaald kregen voor hetzelfde werk – wat daarvan ook zij – maken dat niet anders. In de memorie van toelichting bij de PW staat namelijk het volgende [1] :
“Met het begrip «algemeen geaccepteerde arbeid» (onderdeel b) wordt bedoeld arbeid die algemeen maatschappelijk aanvaard is. [...] Met deze omschrijving wordt uitdrukkelijk afstand genomen van het begrip «passende arbeid», zoals dat in eerdere regelgeving werd gehanteerd. Uitgangspunt [...] is immers dat de weg naar werk zo kort mogelijk dient te zijn en dat, mede gelet op het vangnetkarakter van de bijstand, dan ook elke vorm van arbeid geaccepteerd moet worden. Er kunnen geen eisen gesteld worden aan de aansluiting van de arbeid aan het opleidingsniveau, eerder opgedane werkervaring en beloningsniveau. Ook arbeid van tijdelijke aard dient geaccepteerd te worden.
4.2.2.
Hieruit volgt dat X, door het aanbod van de werkgever niet te accepteren, de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden of te behouden niet is nagekomen.
Verwijtbaarheid
4.3.
Appellant heeft verder aangevoerd dat X, door het baanaanbod van de werkgever niet te accepteren, om de volgende redenen niet verwijtbaar heeft gehandeld. Gelet op de kennis en ervaring van X mocht zij de aangeboden functie tegen het minimumloon redelijkerwijs weigeren. Verder bedroeg de reistijd van X meer dan drie uur per dag, waardoor het (ook) niet verwijtbaar is dat zij de baan bij werkgever niet heeft geaccepteerd. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
4.3.1.
Op grond van artikel 18, vijfde lid, van de PW, in verbinding met artikel 10 van Pro de Afstemmingsverordening was het college gehouden de bijstand van appellant gedurende twee maanden met 100% van de bijstandsnorm te verlagen. Dit is slechts anders, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. In dat geval moet het college op grond van artikel 18, negende lid, van de PW afzien van het opleggen van een maatregel.
4.3.2.
Degene die stelt dat hem geen enkel verwijt treft moet de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die dat onderbouwen. Dit vloeit voort uit het uitzonderingskarakter van artikel 18, negende lid, van de PW. In dit geval rust dus op appellant de bewijslast om aannemelijk te maken dat X geen enkel verwijt treft.
4.3.3.
Een bijstandsgerechtigde mag proberen gunstigere voorwaarden te bedingen indien hem algemeen geaccepteerde arbeid wordt aangeboden. Indien echter door zijn niet onmiddellijke aanvaarding van het aanbod en door zijn opstelling in de onderhandeling, uiteindelijk geen arbeidsovereenkomst tot stand komt, kan hem daarvan een verwijt worden gemaakt als hier bedoeld. Dat kan anders zijn als hij een gerechtvaardigde reden heeft het gedane aanbod niet te aanvaarden. [2]
4.3.4.
X kan van het weigeren van het baanaanbod bij de werkgever een verwijt worden gemaakt. Het enkele feit dat X vond dat zij voor de aangeboden baan meer loon moest krijgen dan het minimumloon gaf haar geen gerechtvaardigde reden om het baanaanbod te weigeren.
4.3.5.
Ter onderbouwing van zijn stelling dat de reistijd van X naar de werkgever en terug meer dan drie uur per dag bedroeg heeft appellant uitdraaien van Google Maps uit 2024 en 2025 overgelegd. Deze uitdraaien zien op vervoer per bus van deur tot deur. Alleen al omdat niet bekend is of op de datum waarop de arbeidsovereenkomst zou ingaan, zijnde 1 juni 2023, dezelfde dienstregeling gold als in 2024 en 2025 komt aan die uitdraaien niet die betekenis toe die appellant daaraan gehecht wil zien. Nog afgezien hiervan staat vast dat de weigering van X om het baanaanbod bij de werkgever niet te accepteren geen verband hield met de reistijd, maar met het in de ogen van X te lage loonaanbod van de werkgever.
Afstemming
4.4.
Als laatste heeft appellant aangevoerd en ter zitting toegelicht dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 18, tiende lid, van de PW om de maatregel te matigen. Volgens appellant had het college de maatregel moeten afstemmen op de omstandigheden van zijn gezin. Appellant en X hebben vier kinderen waarvoor zij zorg dienen te dragen en door de opgelegde maatregel zijn zij voor de duur van twee maanden aanzienlijke inkomsten misgelopen, waardoor zij schulden hebben gekregen. Het college heeft volgens appellant geen spreiding van de maatregel aangeboden. Verder zijn appellant en X inmiddels gescheiden. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
4.4.1.
Het college heeft op grond van artikel 18, tiende lid, van de PW beoordelingsvrijheid bij de vraag of zich, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen voordoen om de maatregel te matigen.
4.4.2.
Het college heeft in het bestreden besluit overwogen dat er geen dringende redenen, gelet op bijzondere omstandigheden, zijn die in de situatie van appellant en X nadere afstemming noodzakelijk maken. Er hebben diverse gesprekken plaatsgevonden, appellant en X zijn op de hoogte gesteld van het voornemen tot het opleggen van de maatregel, zij hebben de gelegenheid gekregen hun zienswijze te geven en, zoals onder verwijzing naar de dossierstukken ter zitting is toegelicht door het college, heeft het college aangeboden de maatregel over meerdere maanden te spreiden. Uit het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting blijkt niet dat het college hiermee het begrip dringende reden als bedoeld in artikel 18, tiende lid, van de PW te beperkt heeft uitgelegd.
4.4.3.
Het college heeft zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat in wat appellant heeft aangevoerd geen dringende redenen zijn gelegen om de maatregel te verlagen. Daarbij is van belang dat het college heeft aangeboden de maatregel te spreiden, appellant en X ter zitting hebben toegelicht dat zij geld hebben kunnen lenen om in de vaste lasten te kunnen voorzien en appellant de financiële situatie van hem en X verder niet heeft onderbouwd of toegelicht, anders dan met de mededeling dat de lening wordt terugbetaald. Appellant en X zijn momenteel in een echtscheidingsprocedure verwikkeld. Gelet op het tijdsverloop is, zonder nadere onderbouwing, niet aannemelijk dat dit verband houdt met de opgelegde maatregel.

Conclusie en gevolgen

4.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de verlaging van de bijstand met 100% voor de duur van twee maanden in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en W.A. Timmer en D.H. Harbers in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) L. van Beelen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels

Participatiewet
Artikel 18, vierde, vijfde, negende, tiende en twaalfde lid
4. Het college verlaagt in ieder geval de bijstand overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende of achtste lid ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de volgende verplichtingen:
a. het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;
(…).
5. Indien de belanghebbende een verplichting als bedoeld in het vierde lid niet nakomt, verlaagt het college de bijstand met 100% voor een bij de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, vastgestelde periode van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden. De verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, kan tevens bepalen dat het bedrag van de verlaging wordt verrekend over de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste de twee volgende maanden, waarbij over de eerste maand ten minste 1/3 van het bedrag van de verlaging wordt verrekend.
9. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
10. Het college stemt een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel af op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar zijn oordeel, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.
12. Bij de toepassing van dit artikel wordt onder belanghebbende mede verstaan het gezin.
Afstemmingsverordening Participatiewet, loaw en loaz Goeree-Overflakkee
Artikel 4, tweede lid
Burgemeester en wethouders kunnen afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
Artikel 10, aanhef, onder b
Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende:
b. twee maanden bij de gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid onderdeel a (…) van de Participatiewet.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 3, p. 35.
2.Vergelijk de uitspraak van 1 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1293.