ECLI:NL:CRVB:2026:957

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
24/1460 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 lid 4 PWArt. 34 PWArt. 36 lid 1 en 2 PWVerordening individuele inkomenstoeslag Goeree-Overflakkee Artikel 1Beleidsregels individuele inkomenstoeslag Goeree-Overflakkee Artikel 1
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag individuele inkomenstoeslag wegens uitzicht op inkomensverbetering

Appellanten hebben een aanvraag ingediend voor een individuele inkomenstoeslag op grond van de Participatiewet. Het college heeft deze aanvraag afgewezen omdat niet voldaan is aan de voorwaarde dat er geen uitzicht op inkomensverbetering is. Appellante had een proefplaatsing bij een werkgever en kreeg een arbeidsovereenkomst aangeboden, die zij weigerde vanwege het lage loon.

Het college heeft een maatregel opgelegd wegens het niet accepteren van algemeen geaccepteerde arbeid, maar deze maatregel lag niet ten grondslag aan de afwijzing van de toeslag. De Raad oordeelt dat appellante geen arbeidsbelemmeringen heeft en wel degelijk uitzicht op inkomensverbetering, mede gelet op de beleidsregels van het college.

De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en de Raad bevestigt dit oordeel. Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de individuele inkomenstoeslag blijft in stand. Appellanten krijgen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om een individuele inkomenstoeslag wordt bevestigd omdat appellante uitzicht heeft op inkomensverbetering.

Uitspraak

24/1460 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 juni 2024, 24/886 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee (college)
Datum uitspraak: 14 juli 2026

SAMENVATTING

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van appellanten om een individuele inkomenstoeslag. Het college heeft aan deze afwijzing ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat er geen uitzicht op inkomensverbetering is. Appellanten hebben onder meer aangevoerd dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet aan deze voorwaarde is voldaan. Appellanten krijgen geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M. Kaplan, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. O.C. Bozbiyik, advocaat, heeft zich gesteld als opvolgend gemachtigde.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 juni 2026, gelijktijdig met het hoger beroep van appellant in de zaak met het kenmerk 24/2626 PW. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. N. Talhaoui, advocaat en kantoorgenoot van mr. Bozbiyik. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Achahbar. In deze zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellanten ontvingen sinds 1 mei 2017 bijstand naar de norm voor gehuwden op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
In het kader van de re-integratie op de arbeidsmarkt heeft appellante via een jobcoach een proefplaatsing gekregen bij [werkgever] in [plaats] (werkgever) als reparateur van mobiele telefoons en smartwatches van 11 april 2023 tot en met 10 mei 2023. In de proefplaatsingsovereenkomst staat onder meer dat werkgever de intentie heeft appellante na de proefplaatsing een arbeidsovereenkomst aan te bieden voor 32-40 uur per week. Vanwege het succes van deze proefplaatsing heeft werkgever appellante op 23 mei 2023 een arbeidsovereenkomst aangeboden voor 24 uur per week, voor de duur van zes maanden, ingaande 1 juni 2023, tegen het minimumloon. Bij gebleken bredere inzetbaarheid en als appellante zou groeien op het gebied van klantcontact en het nemen van initiatieven, zou er na zes maanden worden gesproken over een salarisverhoging. Appellante heeft geweigerd het aanbod te accepteren, aangezien het minimumloon volgens haar niet passend is bij haar ervaring en de door haar gevolgde opleiding in dit werkgebied.
1.3.
Met een besluit van 19 juni 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 4 maart 2024, heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 1 september 2023 met 100% voor de duur van twee maanden verlaagd (maatregel). Aan deze maatregel heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden of te behouden, zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder a, van de PW, omdat zij het baanaanbod bij werkgever niet heeft geaccepteerd. Met de uitspraak van heden in zaak 24/2626 PW is deze maatregel in rechte in stand gebleven.
1.4.
Op 8 mei 2023 hebben appellanten een individuele inkomenstoeslag aangevraagd op grond van artikel 36 van Pro de PW. Bij de beoordeling van deze aanvraag heeft de consulent dossieronderzoek verricht en informatie ingewonnen bij de re-integratiecoach. De bevindingen van het onderzoek en een daarop gebaseerd advies om de aanvraag af te wijzen staan in een rapport van 3 juli 2023.
1.5.
Met een besluit van 10 juli 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 10 januari 2024 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft, zoals ter zitting nader toegelicht, aan het bestreden besluit het volgende ten grondslag gelegd. Appellanten hebben geen recht op een individuele inkomenstoeslag omdat niet voldaan wordt aan de in artikel 36, eerste lid, van de PW opgenomen voorwaarde dat er geen uitzicht op inkomensverbetering is. Appellanten hebben alleen recht op individuele inkomenstoeslag als zij gedurende de referteperiode, zijnde de periode van drie jaar voorafgaand aan de aanvraagdatum, naar vermogen hebben geprobeerd arbeid te verkrijgen en te aanvaarden of door redenen van medische of sociale aard niet in staat zijn om (meer uren) te werken. Deze situaties doen zich niet voor. Appellanten hebben arbeidsmarktperspectief en hebben geen arbeidsbelemmeringen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om een individuele inkomenstoeslag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Appellanten hebben aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd omdat het college, in strijd met het advies van de commissie bezwaarschriften, aan het bestreden besluit, met verwijzing naar artikel 2, aanhef en onder a, van de Beleidsregels individuele inkomenstoeslag Goeree-Overflakkee, ten grondslag heeft gelegd dat aan appellanten in de referteperiode een maatregel is opgelegd wegens het niet nakomen door appellante van de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Appellanten wijzen erop dat de aan appellante aangeboden arbeid geen algemeen geaccepteerde arbeid is, omdat de reisduur naar en van haar werkplek meer dan drie uur per dag is. Appellanten hebben verder aangevoerd dat het college niet aan de hand van de individuele omstandigheden van appellanten heeft gemotiveerd dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat er geen uitzicht op inkomensverbetering is. Appellante had met deze arbeid namelijk geen uitzicht op inkomensverbetering, omdat zij een loon zou ontvangen dat onder de bijstandsnorm ligt. Deze beroepsgronden slagen niet.
4.1.1.
Het weigeren van de aangeboden arbeid door appellante en de daarop gebaseerde maatregel liggen niet aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag. Het door appellanten bedoelde motiveringsgebrek over de grondslag van de afwijzing doet zich dus niet voor. Wat appellanten hebben aangevoerd over het niet algemeen geaccepteerd zijn van de aangeboden arbeid vanwege de reisduur naar de werkplek van meer dan drie uur per dag, kan daarom onbesproken blijven.
4.1.2.
In het geval van gezinsbijstand moeten beide in de gezinsbijstand begrepen partners als een eenheid worden gezien wat betreft hun aanspraken en verplichtingen op grond van de PW. Voor het recht op individuele inkomenstoeslag betekent dit dat beide appellanten moeten voldoen aan de in artikel 36, eerste lid, van de PW gestelde voorwaarden. [1] Het college heeft bij de beoordeling van het hebben van uitzicht op inkomensverbetering terecht betrokken dat bij appellante geen sprake is van ontbrekend arbeidsmarktperspectief of arbeidsbelemmeringen. De verzoeken van appellanten om volledige ontheffing van arbeidsverplichtingen in verband met hun beperkingen en klachten leiden niet tot een ander oordeel, alleen al omdat deze verzoeken na de referteperiode zijn ingediend. Bovendien blijkt al uit de proefplaatsingsovereenkomst dat appellante arbeidsmarktperspectief had. Daarin staat namelijk dat de werkgever de intentie heeft om appellante na de proefplaatsing een arbeidsovereenkomst aan te bieden.
4.1.3.
In de Beleidsregels individuele inkomenstoeslag Goeree-Overflakkee heeft het college invulling gegeven aan het begrip ‘uitzicht op inkomensverbetering’. Die invulling houdt in dat als de betrokkene geen inkomsten uit arbeid heeft en er geen vastgestelde belemmeringen zijn om te werken, de betrokkene dan uitzicht op inkomensverbetering heeft. Vaststaat dat dit bij appellante het geval is. Of appellante bij de werkgever al dan niet een loon hoger dan de bijstandsnorm zou gaan ontvangen maakt hierbij niet uit, nog daargelaten dat appellante na een half jaar loonsverhoging zou kunnen krijgen.
4.1.4.
Gelet op 4.1.2 en 4.1.3 heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellante niet voldoet aan de voorwaarde dat zij geen uitzicht op inkomensverbetering heeft als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de PW.

Conclusie en gevolgen

4.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om een individuele inkomenstoeslag in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgen appellanten geen vergoeding voor hun proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en W.A. Timmer en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) L. van Beelen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels

Participatiewet
Artikel 36, eerste en tweede lid
1. Op een daartoe strekkend verzoek van een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft Pro en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, kan het college, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele inkomenstoeslag verlenen.
2. Tot de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval gerekend:
a. de krachten en bekwaamheden van de persoon; en
b. de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.
Verordening individuele inkomenstoeslag Goeree-Overflakkee
Artikel 1. Begrippen
In deze verordening wordt verstaan onder:
[…];
- peildatum: de datum waarop in enig jaar het recht op de individuele inkomenstoeslag ontstaat;
- referteperiode: periode van drie jaar voorafgaand aan de peildatum.
Beleidsregels individuele inkomenstoeslag Goeree-Overflakkee
Artikel 1: Zicht Pro op inkomensverbetering
1. Aan de hand van de krachten en bekwaamheden van een belanghebbende en de inspanningen die hij heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen, moet worden beoordeeld of hij op de peildatum uitzicht heeft op inkomensverbetering.
2. Indien de belanghebbende op de peildatum geen inkomsten uit arbeid heeft en er geen vastgestelde belemmeringen zijn om te werken, dan heeft hij uitzicht op inkomensverbetering.
Artikel 2. Geen recht op individuele inkomenstoeslag
Een belanghebbende komt niet aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag, indien:
a. aan hem in de referteperiode een maatregel is opgelegd wegens schending van een arbeids- of re-integratieverplichting;

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 8 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU6421. Deze uitspraak heeft zijn gelding behouden onder de PW.