ECLI:NL:CRVB:2026:959
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering Wajonguitkering wegens ontbreken beperkingen binnen vijfjaarstermijn na studie
Appellant verzocht het UWV om een Wajonguitkering toe te kennen op grond van toegenomen arbeidsongeschiktheid door clusterhoofdpijn en ADD, die hij tijdens of kort na zijn studie zou hebben ontwikkeld. Het UWV wees dit verzoek af omdat appellant na zijn achttiende verjaardag meer dan een jaar had gewerkt tegen ten minste het minimumloon en er geen nieuwe feiten waren die aanleiding gaven het eerdere besluit van 2013 te herzien.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens onvoldoende onderzoek door het UWV naar beperkingen tijdens of binnen zes maanden na de studie en oordeelde dat het UWV het besluit onvoldoende had gemotiveerd. De rechtbank liet echter de rechtsgevolgen van het besluit in stand, mede vanwege het ontbreken van feitelijke informatie over beperkingen in de relevante periode.
In hoger beroep stelde appellant dat hij uiterlijk op 25 november 2008 ernstige hoofdpijnklachten had die zijn beperkingen binnen vijf jaar deden toenemen, waardoor hij tot de doelgroep van de Wajong zou behoren. De Raad oordeelde dat de bewijslast bij appellant lag en dat de medische stukken onvoldoende objectieve aanwijzingen bevatten dat beperkingen tijdens of binnen zes maanden na de studie bestonden.
De Raad volgde het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de eerste feitelijke informatie over hoofdpijn pas uit 2010 dateert en dat de hoofdpijnklachten tijdens de studie niet objectief zijn vastgesteld. Hierdoor viel appellant niet onder de doelgroep van studerenden en was er geen nieuwe vijfjaarstermijn gestart. Het verzoek om een onafhankelijk deskundige werd afgewezen en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant een Wajonguitkering toe te kennen wegens het ontbreken van beperkingen tijdens of binnen zes maanden na zijn studie.