ECLI:NL:CRVB:2026:973

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
24/1564 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 Wet WIAArt. 57 Wet WIAArt. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIAArt. 8:109 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dat WIA-uitkering niet beëindigd wordt bij feitelijke verdiensten boven 65% maatmaninkomen zonder arbeidskundige beoordeling

In deze zaak staat centraal of het UWV terecht heeft besloten de WIA-uitkering van appellant niet te beëindigen ondanks dat hij gedurende meer dan een jaar meer dan 65% van het maatmaninkomen heeft verdiend. De rechtbank had geoordeeld dat het UWV op grond van artikel 56, derde lid, Wet WIA uitsluitend op basis van feitelijke verdiensten moet beoordelen of de uitkering beëindigd wordt, zonder een arbeidskundige beoordeling van de passendheid van de arbeid.

Het UWV en appellant gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak en stelden dat een arbeidskundige beoordeling wel vereist is om te bepalen of de verrichte arbeid passend is. De Centrale Raad van Beroep volgt dit standpunt niet en bevestigt de vaste rechtspraak dat de enkele feitelijke vaststelling van verdiensten boven 65% van het maatmaninkomen gedurende een jaar leidt tot beëindiging van de WGA-uitkering, zonder ruimte voor een arbeidskundige beoordeling.

De Raad benadrukt dat artikel 56, derde lid, Wet WIA geen grond biedt voor een theoretische of praktische schatting van arbeidsongeschiktheid, maar dat het gaat om feitelijke omstandigheden. Ook het argument van appellant dat de uitkering zou moeten herleven op grond van artikel 57 Wet Pro WIA wordt verworpen, omdat er geen eerdere beëindiging van de uitkering heeft plaatsgevonden.

De Raad bevestigt daarmee het vonnis van de rechtbank en draagt het UWV op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, rekening houdend met de feitelijke verdiensten van appellant. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken, maar het UWV wordt een griffierecht opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering niet beëindigd wordt op basis van een arbeidskundige beoordeling, maar uitsluitend op feitelijke verdiensten boven 65% van het maatmaninkomen gedurende een jaar.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1564 WIA, 24/1570 WIA
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 mei 2024, 23/4652 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
[naam B.V.] te [vestigingsplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 16 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft besloten de WIA-uitkering van appellant niet te beëindigen op grond van artikel 56, derde lid, van de Wet WIA, omdat volgens het Uwv de door appellant verrichte arbeid niet passend is. De rechtbank heeft het Uwv hierin niet gevolgd en heeft geoordeeld dat de enkele vaststelling dat een jaar lang meer dan 65% van het maatmaninkomen is verdiend, tot beëindiging van de WGA-uitkering leidt. Het Uwv en appellant zijn hiertegen in hoger beroep gegaan. De Raad volgt de standpunten van appellant en het Uwv niet en heeft geen aanleiding gezien om terug te komen op de vaste rechtspraak van de Raad hieromtrent.

PROCESVERLOOP

24/1564
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. S.A. Coster een verweerschrift ingediend. Appellant heeft verwezen naar het hogerberoepschrift in de zaak 24/1570.
24/1570
Namens appellant heeft mr. M.A.T. Sick hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Namens betrokkene heeft mr. Coster een reactie ingediend.
De Raad heeft de zaken gevoegd behandeld op een zitting van 12 maart 2026. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F.C.A.M. Weterings en M.M.A. Landman . Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. Ouwerkerk-Hoogendonk, advocaat en opvolgend gemachtigde. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Coster.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is werkzaam geweest bij betrokkene, als manager finance control voor 35,96 uur per week. Op 18 januari 2017 heeft hij zich ziekgemeld. Het Uwv heeft aan appellant met ingang van 16 januari 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid na bezwaar is vastgesteld op 54,81%.
1.2.
Het Uwv heeft appellant na afloop van de loongerelateerde periode met ingang van 16 januari 2021 in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij appellant 35 tot 80% arbeidsongeschikt is geacht.
1.3.
Op 4 februari 2021 heeft appellant een wijziging in de gezondheidssituatie doorgegeven. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd naar 69,90%. De WIA-uitkering van appellant is hierdoor niet gewijzigd.
1.4.
Van 8 februari 2021 tot en met 15 oktober 2021 heeft appellant gewerkt bij [B.V.2] als senior medewerker backoffice/finance voor 40 uur per week. Vanaf 1 november 2021 tot en met 30 april 2022 heeft hij gewerkt bij [B.V.3] als financieel directeur voor 40 uur per week. In verband met het einde van dit dienstverband heeft het Uwv aan appellant vanaf 2 mei 2022 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend tot en met 1 mei 2024.
1.5.
Op 2 april 2022 heeft appellant zich gemeld met toegenomen klachten per 1 februari 2022.
1.6.
Met een besluit van 9 mei 2022 heeft het Uwv de WGA-loonaanvullingsuitkering van appellant per 1 mei 2022 omgezet in een WGA-vervolguitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%.
1.7.
Bij besluit van 17 mei 2023 heeft het Uwv het hiertegen door betrokkene gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 9 mei 2022 herroepen en aan appellant vanaf 1 mei 2022 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80,58%. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
1.8.
Bij besluit van 24 mei 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv een fout in de berekening van de hoogte van de uitkering gecorrigeerd en het besluit van 17 mei 2023 voor het overige ongewijzigd gehandhaafd.
1.9.
Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv op grond van artikel 56, derde lid, van de Wet WIA moet beoordelen of appellant gedurende een jaar meer dan 65% van het maatmaninkomen heeft verdiend, op basis van de feitelijke verdiensten van appellant zoals deze bekend zijn bij de Belastingdienst.
2.1.
Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de termijn van één jaar, genoemd in artikel 56, derde lid, van de Wet WIA, gaat lopen vanaf het moment van aanvang van de werkzaamheden. Dat is het moment waarop, op basis van de inkomsten uit die werkzaamheden, de mate van arbeidsongeschiktheid lager is dan 35%. Dit is een feitelijk moment. Het gaat om het moment waarop feitelijk verdiensten van een zodanige omvang worden genoten. Volgens vaste rechtspraak [1] leidt de enkele feitelijke vaststelling dat een jaar lang meer dan 65% van het maatmaninkomen is verdiend tot beëindiging van de WGA- uitkering op grond van artikel 56, derde lid, van de Wet WIA. Voor een arbeidskundige beoordeling of die arbeid passend is, biedt de tekst van artikel 56, derde lid, van de Wet WIA geen wettelijke basis.
2.2.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat betrokkene voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant (minstens) één jaar lang meer dan 65% van het maatmaninkomen heeft verdiend.
Het standpunt van het Uwv
3.1
Het Uwv heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat bij beëindiging van het recht op uitkering met toepassing van artikel 56, derde lid, Wet WIA, ruimte is voor een beoordeling van de passendheid van de verrichte arbeid, te weten een beoordeling of sprake is van arbeid, waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is, zoals bedoeld in artikel 6 van Pro de Wet WIA.
3.2.
Hoewel het inkomen uit arbeid van appellant gedurende meer dan een jaar, te weten vanaf maart 2021 tot en met april 2022 meer dan 65% van het maatmaninkomen bedraagt, bestaat geen aanleiding om het uitkeringsrecht te beëindigen. Op meerdere momenten is gebleken dat de werkzaamheden die appellant verrichtte in de periode van maart 2021 tot en met april 2022 niet passend zijn gelet op de voor hem geldende beperkingen. In dit verband heeft het Uwv verwezen naar een rapport van een verzekeringsarts van 13 mei 2021 en een rapport van de arbeidsdeskundige van 10 september 2021, die heeft geconcludeerd dat appellant niet geschikt is voor zijn werkzaamheden bij [B.V.2] Per 1 februari 2022 heeft appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld en na onderzoek door een verzekeringsarts is naast eerder vastgestelde beperkingen ook nog een urenbeperking van 30 uur aangenomen. Op grond hiervan heeft een arbeidsdeskundige geconcludeerd dat appellant niet geschikt is voor zijn werkzaamheden bij [B.V.3] In bezwaar zijn deze bevindingen bevestigd. Op grond hiervan heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant niet heeft ‘laten zien’ dat hij met de toegenomen beperkingen nog in staat is om meer dan 65% van het maatmaninkomen te verdienen, maar heeft aangegeven dit werk niet meer aan te kunnen. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is op grond van een theoretische schatting per 1 februari 2022 op 80,58% berekend.
3.3.
Het Uwv is bekend met de rechtspraak van de Raad over artikel 56, derde lid, van de Wet WIA. Een beëindiging van de uitkering per 1 mei 2022 doet echter geen recht aan de situatie van appellant, omdat hij sinds 1 februari 2022 volledig arbeidsongeschikt wordt geacht. Voor zover de relevante bepalingen voor meerdere uitleg vatbaar wordt geacht, heeft het Uwv verwezen naar de kennelijke bedoeling van de wetgever. Gewezen wordt op een brief van de toenmalig minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 mei 2016. [2]
3.4.
Ter zitting heeft het Uwv nog betoogd dat artikel 56, derde lid, van de wet WIA dient te worden gelezen in samenhang met artikel 56, eerste en tweede lid van de Wet WIA. De vraag of een verzekerde niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, zoals vermeld in het eerste lid, dient te worden beoordeeld op grond van de artikelen 5 en 6 van de Wet WIA, waarin is bepaald dat de beoordeling of iemand gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd wordt op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. Het tweede en derde lid van artikel 56 ziet Pro vervolgens enkel op vaststelling van een uitlooptermijn in geval de verzekerde niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is.
Het standpunt van appellant
3.5.
Appellant heeft tegen de uitspraak aangevoerd dat in bezwaar ten onrechte is beoordeeld of de uitkering op grond van artikel 56, derde lid van de Wet WIA beëindigd had moeten worden. Met het besluit van 9 mei 2022 is enkel besloten om de WIA-uitkering per 1 mei 2022 om te zetten naar een WGA-vervolguitkering. Het standpunt van betrokkene dat de uitkering had moeten worden beëindigd op grond van artikel 56, derde lid, van de Wet WIA, heeft geen betrekking op een onderdeel van het besluit van 9 mei 2022. Volgens appellant had betrokkene daartoe een afzonderlijk verzoek moeten indienen.
3.6.
Verder kan appellant zich vinden in het standpunt van het Uwv in hoger beroep. Ook appellant is van mening dat het Uwv op grond van artikel 56, derde lid, van de Wet WIA terecht een medisch en arbeidskundig onderzoek heeft verricht en niet enkel op basis van de feitelijke verdiensten de uitkering had moeten beëindigen.
3.7.
Tot slot heeft appellant aangevoerd dat als wordt vastgesteld dat hij meer dan 65% van het maatmaninkomen heeft verdiend, de uitkering voor 1 februari 2022 zou moeten worden beëindigd en vervolgens op grond van artikel 57 van Pro de Wet WIA zou moeten herleven per 1 februari 2022. Appellant heeft zich immers per 1 februari 2022 met toegenomen klachten uit dezelfde ziekteoorzaak gemeld, op basis waarvan het Uwv hem meer arbeidsongeschikt heeft geacht. Door de ophoging van de mate van arbeidsongeschiktheid als gevolg van toegenomen klachten uit dezelfde ziekteoorzaak is de situatie zo dat de uitkering door moet blijven lopen.
Het standpunt van betrokkene
3.8.
Betrokkene heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Betrokkene heeft herhaald dat de termijn van één jaar, genoemd in artikel 56, derde lid, van de Wet WIA begint te lopen vanaf het moment waarop, op basis van de inkomsten uit werkzaamheden, de mate van arbeidsongeschiktheid lager is dan 35%. Dit is een feitelijk moment. De enkele feitelijke vaststelling dat een jaar lang meer dan 65% van het maatmaninkomen is verdiend, leidt tot beëindiging van de WGA-uitkering. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat de vaste rechtspraak over deze kwestie duidelijk is en dat hierbij aansluiting dient te worden gezocht.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de WIAuitkering heeft vernietigd aan de hand van wat appellant en het Uwv in de hoger beroepen hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Omvang van het geding
4.1.
De Raad overweegt dat het Uwv in het bestreden besluit terecht artikel 56, derde lid, van de Wet WIA in de beoordeling heeft betrokken. In het besluit van 9 mei 2022 heeft het Uwv de WGA-loonaanvullingsuitkering beëindigd en een WGA-vervolguitkering per 1 mei 2022 toegekend. Daarmee ligt het recht op een WIA-uitkering voor en maakt ook een mogelijke beëindigingsgrond onderdeel uit van de omvang van het geding. Het Uwv heeft de grond van betrokkene terecht meegenomen in de heroverweging in bezwaar.
Artikel 56, derde lid, van de Wet WIA
4.2.
Ingevolge artikel 56, eerste lid, onderdeel a, van de Wet WIA eindigt het recht op een WGAuitkering op de dag dat de verzekerde niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is. Ingevolge het tweede lid eindigt het recht op een WGAuitkering van de verzekerde wiens mate van arbeidsongeschiktheid lager is dan 35%, in afwijking van het eerste lid onderdeel a, twee maanden na de dag dat hij niet langer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, doch niet eerder dan op de dag dat de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering eindigt. Ingevolge het derde lid eindigt het recht op een WGAuitkering van de verzekerde wiens mate van arbeidsongeschiktheid lager is dan 35%, omdat hij met arbeid meer verdient dan 65% van het maatmaninkomen per uur, in afwijking van het tweede lid, één jaar na de dag waarop hij niet langer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, doch niet eerder dan op de dag dat de loongerelateerde uitkering van de WGAuitkering eindigt.
4.3.
Niet in geschil is dat appellant in de periode van maart 2021 tot en met april 2022 meer dan 65% van het maatmaninkomen heeft verdiend.
4.4.
Uit vaste rechtspraak [3] van de Raad volgt dat er geen wettelijke basis is voor een arbeidskundige herbeoordeling als de verzekerde al een jaar minder dan 35% arbeidsongeschikt is op basis van de feitelijke verdiencapaciteit bij de eigen werkgever. De tekst van artikel 56, derde lid van de Wet WIA geeft daar geen aanleiding voor. Uit het artikel volgt dat de enige voorwaarde voor het intreden van het rechtsgevolg dat het recht op uitkering eindigt is of de betrokkene met arbeid meer verdient dan 65% van het maatmaninkomen. De toepasselijkheid volgt geheel uit de feitelijke omstandigheden. Voor een theoretische dan wel praktische schatting is in dat geval geen ruimte.
4.5.
In wat het Uwv heeft aangevoerd, wordt geen aanleiding gezien om af te wijken van deze vaste rechtspraak. Het Uwv wordt niet gevolgd in het standpunt dat artikel 56, derde lid, van de Wet WIA alleen ziet op een uitlooptermijn en dat ook in dat geval op grond van artikelen 5 en 6 van de Wet WIA dient te worden beoordeeld of een verzekerde niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is. Deze lezing van het Uwv volgt niet uit de tekst van artikel 56, derde lid van de Wet WIA, waarin de vraag of de mate van arbeidsongeschiktheid lager is dan 35% niet wordt beoordeeld aan het niet langer gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn, zoals in het tweede lid, maar aan de hand van de vraag of de verzekerde met arbeid meer verdient dan 65% van het maatmaninkomen. Bovendien staat deze lezing haaks op het doel van de regeling, te weten een betrokkene stimuleren aan het werk te gaan en te blijven en om zijn werkzaamheden zoveel mogelijk uit te breiden. [4]
4.6.
Ook uit de door het Uwv aangehaalde brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 mei 2016 volgt niet dat de door het Uwv voorgestane beoordeling wordt gevraagd. De minister heeft in deze brief onder meer gesteld dat als de gerechtigde door het loon dat hij verdient laat zien dat het verlies aan verdienvermogen kleiner is dan 35% van het maatmaninkomen, daarmee de grond voor een WIA-uitkering ontvalt. De minister heeft daarbij de werkwijze van het Uwv onderschreven en gesteld dat in deze situaties een inhoudelijke beoordeling door verzekeringsarts/arbeidsdeskundige achterwege kan blijven.
4.7.
Het gaat om het feitelijke inkomensverlies en het inkomensverlies van appellant is gedurende de periode van meer dan één jaar minder dan 65% geweest. Zou in deze situatie alsnog een herbeoordeling moeten plaatsvinden, dan is de bepaling in artikel 56, derde lid, Wet WIA zinledig. Dat appellant op de datum dat de wettelijke uitlooptermijn eindigt, weer een geringer verdienvermogen dan 65% heeft, kan aan het intreden van het rechtsgevolg, te weten de beëindiging van het uitkeringsrecht, op grond van artikel 56, derde lid van de Wet WIA niet afdoen.
Herleving uitkering
4.8.
Ten slotte wordt appellant niet gevolgd in het standpunt dat de WIA-uitkering niet kan worden beëindigd omdat de uitkering op grond van de amber-bepaling zou herleven. Op grond van artikel 57 van Pro de Wet WIA kan een uitkering alleen herleven na een eerdere beëindiging van de uitkering. Nu van een beëindiging van de WIA-uitkering van appellant voor 1 februari 2022 geen sprake is dan wel kan zijn, kan geen sprake zijn van een herleving van de uitkering per die datum.

Conclusie en gevolgen

4.9.
De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de opdracht van de rechtbank aan het Uwv in stand blijft. Dit betekent dat het Uwv, met inachtneming van deze uitspraak van de Raad, een nieuwe beslissing op bezwaar zal moeten nemen, ervan uitgaande dat in de periode van 1 maart 2021 tot en met 30 april 2022 is voldaan aan de toepassingsvoorwaarde van artikel 56, derde lid, van de Wet WIA.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Wel zal, gelet op artikel 8:109, tweede lid, van de Awb, van het Uwv een griffierecht van € 559,- worden geheven.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- bepaalt dat van het Uwv een griffierecht van € 559,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en M.E. Fortuin en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.

(getekend) D.S. de Vries

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:211.
2.Kamerstukken II, 2015/16, 26 448, nr. 569.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 3 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2349 en 23 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:211.
4.Kamerstukken II, 2004/05, 30 034, nr. 3, blz. 70 en 191.