ECLI:NL:CRVB:2026:973
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat WIA-uitkering niet beëindigd wordt bij feitelijke verdiensten boven 65% maatmaninkomen zonder arbeidskundige beoordeling
In deze zaak staat centraal of het UWV terecht heeft besloten de WIA-uitkering van appellant niet te beëindigen ondanks dat hij gedurende meer dan een jaar meer dan 65% van het maatmaninkomen heeft verdiend. De rechtbank had geoordeeld dat het UWV op grond van artikel 56, derde lid, Wet WIA uitsluitend op basis van feitelijke verdiensten moet beoordelen of de uitkering beëindigd wordt, zonder een arbeidskundige beoordeling van de passendheid van de arbeid.
Het UWV en appellant gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak en stelden dat een arbeidskundige beoordeling wel vereist is om te bepalen of de verrichte arbeid passend is. De Centrale Raad van Beroep volgt dit standpunt niet en bevestigt de vaste rechtspraak dat de enkele feitelijke vaststelling van verdiensten boven 65% van het maatmaninkomen gedurende een jaar leidt tot beëindiging van de WGA-uitkering, zonder ruimte voor een arbeidskundige beoordeling.
De Raad benadrukt dat artikel 56, derde lid, Wet WIA geen grond biedt voor een theoretische of praktische schatting van arbeidsongeschiktheid, maar dat het gaat om feitelijke omstandigheden. Ook het argument van appellant dat de uitkering zou moeten herleven op grond van artikel 57 Wet Pro WIA wordt verworpen, omdat er geen eerdere beëindiging van de uitkering heeft plaatsgevonden.
De Raad bevestigt daarmee het vonnis van de rechtbank en draagt het UWV op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, rekening houdend met de feitelijke verdiensten van appellant. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken, maar het UWV wordt een griffierecht opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering niet beëindigd wordt op basis van een arbeidskundige beoordeling, maar uitsluitend op feitelijke verdiensten boven 65% van het maatmaninkomen gedurende een jaar.