ECLI:NL:GHAMS:2003:AH8544
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Van der Ouderaa
- Kostense
- Hartman
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing en dubbele belasting bij uitzending van personeel naar Denemarken en Duitsland
Belanghebbende, werkzaam in Nederland bij E BV, verrichtte in 1994 werkzaamheden gedurende 28 dagen in Denemarken en 28 dagen in Duitsland voor zustervennootschappen van hetzelfde concern. Hij vorderde aftrek ter voorkoming van dubbele belasting voor deze buitenlandse werkzaamheden.
Het Hof beoordeelde de toepassing van het belastingverdrag met Denemarken (1957) en de overeenkomst met Duitsland (1959). Voor Denemarken werd geoordeeld dat de voordelen van de werkzaamheden mede toekomen aan E BV, de Nederlandse werkgever, en dat aan de voorwaarden van artikel 14 van Pro het verdrag is voldaan waardoor Nederland het heffingsrecht heeft. Voor Duitsland stelde het Hof vast dat E BV als werkgever in formele en materiële zin geldt, en dat de voorwaarden van artikel 10 van Pro de overeenkomst zijn vervuld, waardoor ook hier Nederland het heffingsrecht heeft.
Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat hij onvoldoende aannemelijk maakte dat sprake was van ongelijke behandeling door de Belastingdienst. Het Hof concludeerde dat de aanslag terecht is gehandhaafd en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Belanghebbende heeft geen recht op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting; het heffingsrecht voor werkzaamheden in Denemarken en Duitsland komt volledig toe aan Nederland.