ECLI:NL:PHR:2006:AZ3175
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg werkgeversbegrip in belastingverdrag Nederland-Duitsland bij uitzending personeel
Deze zaak betreft de uitleg van het begrip 'vergoeding ontvangt van een werkgever' in artikel 10, lid 2, van het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland. De kernvraag is of het werkgeversbegrip formeel (juridisch) of materieel (feitelijk-economisch) moet worden geïnterpreteerd bij uitzending van werknemers naar Duitsland.
De belanghebbenden zijn Nederlandse vennootschappen die werknemers uitzenden naar Duitsland, waar zij onder leiding van Duitse projectleiders werkzaamheden verrichten. De lonen worden door de Nederlandse vennootschappen betaald en vervolgens doorbelast aan de Duitse vennootschap A GmbH. De Inspecteur stelde naheffingsaanslagen loonbelasting op omdat hij meende dat de Duitse vennootschap als werkgever moest worden aangemerkt.
Het Hof oordeelde dat A GmbH als werkgever moet worden beschouwd omdat de werknemers in Duitsland onder diens gezag stonden, de loonkosten aan A zijn doorbelast en de werkzaamheden voor rekening en risico van A kwamen. Dit oordeel werd door de Hoge Raad bevestigd. De Hoge Raad benadrukte dat het materiële werkgeversbegrip, dat onder meer de gezagsverhouding en het dragen van loonkosten omvat, doorslaggevend is voor de toepassing van het verdrag. De formele arbeidsovereenkomst met de Nederlandse vennootschap is niet beslissend.
De Hoge Raad overwoog verder dat het Hof terecht de relevante criteria uit het OESO-commentaar toepaste en dat de interpretatie van het begrip 'werkgever' in het verdrag niet beperkt is tot de tekst van het verdrag zelf, maar ook ondersteund mag worden door internationale commentaren. De conclusie is dat de Duitse vennootschap als werkgever in de zin van het verdrag geldt, waardoor de loonbelasting in Duitsland terecht geheven mag worden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de Duitse vennootschap als werkgever geldt voor de loonbelastingheffing over werkzaamheden in Duitsland.