ECLI:NL:PHR:2006:AT3918
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Interpretatie van werkgeversbegrip en heffingsrecht bij uitzending van personeel binnen concern in belastingverdragen Nederland-Denemarken en Nederland-Duitsland
Deze procedures betreffen de interpretatie van bepalingen in oude belastingverdragen tussen Nederland en Denemarken (1957) en Nederland en Duitsland (1959) inzake de toewijzing van het heffingsrecht over looninkomsten van werknemers die tijdelijk in het buitenland werken binnen een concern. De belanghebbende was in dienst van een Nederlandse vennootschap binnen een internationaal olieconcern en werd uitgezonden naar dochtermaatschappijen in Denemarken en Duitsland.
De kernvraag is of de werkzaamheden in het buitenland verricht worden voor of ten behoeve van een niet-inwoner van het werkland (Denemarken of Duitsland) en wie als werkgever in verdragsrechtelijke zin moet worden aangemerkt. Het Hof oordeelde in de zaak met betrekking tot Denemarken dat de arbeid werd verricht voor de Nederlandse vennootschap, zodat Nederland het heffingsrecht toekomt en Denemarken vrijstelling moet verlenen. In de zaak met betrekking tot Duitsland oordeelde het Hof anders, namelijk dat de Duitse zustermaatschappij als werkgever moet worden aangemerkt en Duitsland het heffingsrecht toekomt.
De conclusie bespreekt uitgebreid jurisprudentie van de Hoge Raad en het Hof, het OESO-modelverdrag en commentaar, en literatuur over de materiële versus formele interpretatie van het werkgeversbegrip. Daarbij wordt benadrukt dat in misbruiksituaties een materiële benadering geldt, waarbij de werkelijke gezagsverhouding, risico- en verantwoordelijkheidsverdeling bepalend zijn. De tekst wijst op de noodzaak van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid en bespreekt de verschillen tussen verdragen en jurisprudentie in Nederland, Duitsland, België en Denemarken.
De conclusie pleit voor een consistente en objectieve interpretatie van het werkgeversbegrip in belastingverdragen, waarbij de economische realiteit en de feitelijke gezagsverhouding centraal staan, en waarbij misbruik wordt voorkomen. Tevens wordt gewezen op de complexiteit van de toepassing van de 183-dagenregeling en de noodzaak van heldere afspraken tussen verdragslanden over de heffingsrechten bij uitzending van personeel binnen concernverband.
Uitkomst: Het Hof oordeelde dat voor werkzaamheden in Denemarken het heffingsrecht aan Nederland toekomt, terwijl voor werkzaamheden in Duitsland het heffingsrecht aan Duitsland toekomt, met toepassing van het materiële werkgeversbegrip en de 183-dagenregeling.