ECLI:NL:GHAMS:2005:AS8303
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslag wegens niet aangegeven voordeel uit optietoekenning
Belanghebbende, werkzaam bij een Nederlandse dochtervennootschap van een Amerikaanse onderneming, ontving in 1997 voorwaardelijke optierechten waarvan 20% in 1998 onvoorwaardelijk werd. Deze voordelen werden niet opgenomen in de aangifte inkomstenbelasting over 1998. De inspecteur legde daarop een navorderingsaanslag op.
Belanghebbende voerde aan dat er overleg was geweest met de Belastingdienst over de fiscale behandeling en dat de voordelen al in 1997 waren aangegeven. Het hof stelde vast dat de inspecteur pas na oplegging van de aanslag over 1998 kennis kreeg van het onvoorwaardelijk worden van de opties in dat jaar. Tevens was er geen bindende afspraak dat de inkomstenbelasting niet geheven zou worden.
Het hof oordeelde dat de navorderingsaanslag terecht was opgelegd omdat sprake was van een nieuw feit en dat geen sprake was van strijd met het gelijkheidsbeginsel. De stelling dat andere personeelsleden gunstiger waren behandeld werd niet aannemelijk gemaakt. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1998 wordt ongegrond verklaard.