ECLI:NL:GHAMS:2005:AT8705
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- J. den Boer
- E.A.G. van der Ouderaa
- J.P.F. Slijpen
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over rentevoordeel bij aandeleninkoop valt niet onder deelnemingsvrijstelling
Belanghebbende, een naamloze vennootschap, had met een andere vennootschap een overeenkomst gesloten waarbij alle door haar gehouden aandelen tranchegewijs werden ingekocht tegen vooraf vastgestelde prijzen inclusief een rentefactor. Het geschil betrof de fiscale kwalificatie van het rente- en valutavoordeel dat voortvloeide uit deze transactie en de vraag of dit voordeel onder de deelnemingsvrijstelling viel.
Het Hof stelde vast dat belanghebbende op de datum van de overeenkomst, 29 september 1997, de economische eigendom van de aandelen had overgedragen en vanaf dat moment een rentedragende vordering had verkregen. Dit betekent dat de aandelen niet langer tot haar fiscale vermogen behoorden en het voordeel uit hoofde van de rentefactor niet kon worden toegerekend aan een deelneming.
Belanghebbende voerde aan dat zij tot de feitelijke levering van de aandelen op 1 mei 1998 nog risico's droeg, zoals het recht op dividend en het risico van capital impairment, en dat de aandelen daarom nog als deelneming moesten worden beschouwd. Het Hof verwierp deze stellingen en overwoog dat de juridische eigendom niet bepalend is voor de fiscale kwalificatie, maar dat het economische belang doorslaggevend is.
Ten overvloede overwoog het Hof dat zelfs als de aandelen nog als deelneming zouden worden aangemerkt, het voordeel vanwege zijn aard niet onder de deelnemingsvrijstelling valt, omdat het geen weerspiegeling is van de waardeontwikkeling van de aandelen maar een gefixeerd rentebedrag betreft. De uitspraak bevestigt de toepassing van het Falconsarrest en andere relevante jurisprudentie.
Uitkomst: Het rente- en valutavoordeel bij tranchegewijze aandeleninkoop valt niet onder de deelnemingsvrijstelling en behoort tot de belastbare winst.