ECLI:NL:GHAMS:2005:AU7764
Gerechtshof Amsterdam
- Verwijzing na Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bevoegdheid president rechtbank voor zekerheidstelling bankgarantie in bodemprocedure
In deze civiele procedure ging het om de vraag of de president van de rechtbank bevoegd was om een maatregel te treffen op grond van artikel 24 van Pro het EEX-Verdrag, namelijk een zekerheidstelling in de vorm van een bankgarantie die in Nederland moest worden uitgevoerd.
Het geschil betrof een vordering van [Y] tegen [X] tot betaling van een bedrag dat reeds bij arbitraal vonnis was vastgesteld. Na vernietiging van een eerder arrest door de Hoge Raad werd het geding terugverwezen naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling.
Het hof oordeelde dat de president van de rechtbank op grond van artikel 126 lid 3 oud Pro Rv bevoegd was om de voorlopige maatregel te treffen, omdat aan het vereiste van een reële band was voldaan. Tevens werd bevestigd dat de vordering betrekking had op een verbintenis die in Nederland moest worden uitgevoerd, waardoor de Nederlandse rechter bevoegd was op grond van artikel 5 lid 1 EEX Pro-Verdrag.
Daarnaast verwierp het hof diverse grieven van [X], waaronder twijfel over de identiteit van de wederpartij en verjaring van de vordering. Het hof verklaarde [X] niet-ontvankelijk voor zover het hoger beroep was gericht tegen een andere vennootschap en veroordeelde [X] in de kosten van het geding. Het vonnis van de rechtbank Rotterdam werd bekrachtigd en het arrest is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en bevestigt de bevoegdheid van de president van de rechtbank om de zekerheidstelling te gelasten.