ECLI:NL:HR:2007:AZ3534

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C05/327HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.H. Beukenhorst
  • O. de Savornin Lohman
  • P.C. Kop
  • E.J. Numann
  • J.C. van Oven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 EEX-VerdragArt. 81 Rv
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake vordering tot bankgarantie als voorlopige maatregel

Deze zaak betreft een cassatieberoep van eiseres tegen een arrest van het hof Amsterdam, waarin zij niet-ontvankelijk werd verklaard in het hoger beroep tegen verweerster. De vordering betrof een bankgarantie als voorlopige zekerheidstelling voor een bij arbitraal vonnis toegewezen vordering, een voorlopige maatregel in de zin van artikel 24 van Pro het EEX-Verdrag.

De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest van 6 februari 2004 waarin het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage werd vernietigd en het geding werd verwezen naar het hof Amsterdam. Het hof Amsterdam heeft vervolgens het hoger beroep van eiseres niet-ontvankelijk verklaard en het vonnis van de president van de rechtbank te Rotterdam bekrachtigd.

In cassatie heeft eiseres verweer gevoerd tegen deze beslissing, maar de Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is geen nadere motivering vereist omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.

De Hoge Raad verwerpt het beroep en veroordeelt eiseres in de kosten van het geding in cassatie, begroot op een bedrag van € 2.562,34. Het arrest is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2007.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam wordt bekrachtigd.

Uitspraak

9 februari 2007
Eerste Kamer
Nr. C05/327HR
MK/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats], Duitsland,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt,
t e g e n
[Verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel.
1. Het geding in voorgaande instanties
De Hoge Raad verwijst voor het verloop van dit geding tussen thans eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - en thans verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - naar zijn arrest van 6 februari 2004, nr. C02/202, NJ 2005, 403.
Bij dat arrest heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 maart 2002 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof te Amsterdam.
Na verwijzing heeft het hof te Amsterdam bij arrest van 1 september 2005 [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover gericht tegen [verweerster] en het vonnis van de president van de rechtbank te Rotterdam van 4 oktober 2001 bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 362,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, P.C. Kop, E.J. Numann en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 9 februari 2007.