ECLI:NL:GHAMS:2006:AY8054
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- J. den Boer
- E.A.G. van der Ouderaa
- E.F. Faase
- Rechtspraak.nl
Geen toepassing van meestbegunstiging bij verrekening buitenlandse bronbelasting op dividenden
Belanghebbende, een houdstervennootschap van een internationaal concern, maakte bezwaar tegen een aanslag vennootschapsbelasting over 1999, waarbij zij stelde dat Nederland de tax sparing credits uit bilaterale verdragen met Brazilië en Griekenland ook had moeten toepassen op dividenden, interest en royalty’s uit andere landen. Het Hof oordeelde eerst dat belanghebbende ontvankelijk was in haar beroep, ondanks discussie over de termijn van indiening.
Het geschil betrof de vraag of toepassing van het leerstuk van de meestbegunstiging verplicht is op grond van artikel 56 EG Pro en de relevante Europa-overeenkomsten, en of de grondslageis en tweede limiet bij verrekening van buitenlandse bronbelasting in strijd zijn met het EG-recht. Het Hof verwees naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG), waaronder het arrest D, en concludeerde dat verschillen in behandeling voortvloeien uit bilaterale verdragen en niet in strijd zijn met het EG-recht.
Verder oordeelde het Hof dat Nederland op grond van EG-recht verplicht is tot volledige verrekening van dividendbronbelasting uit EU-lidstaten, maar dat deze verrekening beperkt mag worden door de grondslageis en tweede limiet, mede omdat de dividenden onder de deelnemingsvrijstelling vallen en daardoor niet in de belastbare grondslag zijn begrepen. Het beroep werd in alle onderdelen ongegrond verklaard en de aanslag bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag vennootschapsbelasting 1999 wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft ongewijzigd.