ECLI:NL:HR:2008:BA8217
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.A.C.A. Overgaauw
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over toepassing van tax sparing credit en artikel 56 EG bij buitenlandse broninkomsten
Belanghebbende, houdster van buitenlandse dochtervennootschappen binnen een fiscale eenheid, ontving in 1999 dividenden, interest en royalty's van buitenlandse deelnemingen. Zij vorderde aftrek van bronbelasting op basis van belastingverdragen met Brazilië en Griekenland, en stelde dat artikel 56 EG Pro een ongelijke behandeling van buitenlandse broninkomsten verbiedt.
Het Hof verwierp deze standpunten en verklaarde het beroep ongegrond. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar jurisprudentie van het Hof van Justitie, waarin is geoordeeld dat verschillen in behandeling gerechtvaardigd kunnen zijn door de beperkte reikwijdte van belastingverdragen en dat het EG-Verdrag geen verplichting tot meestbegunstiging inhoudt.
De Hoge Raad wijst ook het argument af dat Nederland verplicht zou zijn bronbelasting te compenseren zoals bij binnenlandse dividenden, omdat dit de soevereiniteit van de lidstaat zou aantasten en leiden tot onredelijke belastingverliezen.
Het incidentele beroep van de Minister behoeft geen behandeling omdat het geen gunstiger resultaat oplevert. De Hoge Raad veroordeelt partijen niet in de proceskosten en verklaart het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt het oordeel van het Hof dat het EG-Verdrag geen verplichting tot meestbegunstiging inhoudt.