ECLI:NL:GHAMS:2006:AY8836
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling
Appellante verzocht de rechter-commissaris om de schuldsaneringsregeling van geïntimeerde tussentijds te beëindigen wegens het niet opgeven van een frauduleuze vordering. De rechter-commissaris diende vervolgens een voordracht tot beëindiging in bij de rechtbank op grond van artikel 350 lid 3 sub e van Pro de Faillissementswet. De rechtbank wees de voordracht af, waarna appellante hoger beroep instelde.
Het hof oordeelt dat appellante niet als zelfstandige partij in de procedure kan worden beschouwd, aangezien haar verzoek via de rechter-commissaris is ingediend en de rechtbank dit verzoek niet als zelfstandig aan appellante gericht heeft aangemerkt. Hierdoor is appellante niet ontvankelijk in haar hoger beroep.
Het hoger beroep is behandeld op 20 juni 2006, waarbij partijen en de bewindvoerder aanwezig waren. Het arrest van het hof is gewezen op 28 juli 2006, waarin het hoger beroep is verworpen wegens niet-ontvankelijkheid.
Uitkomst: Appellante is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de afwijzing van de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling.