ECLI:NL:GHAMS:2007:BA7529
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- D.B. Bijl
- J.P.A. Boersma
- E.A.G. van der Ouderaa
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale gevolgen voortijdige beëindiging depositocontract en negatieve inkomsten
Belanghebbende sloot in 1997 een vijfjarig depositocontract met bank C waarbij de rente vooruit werd betaald en de hoofdsom niet opeisbaar was gedurende de looptijd. In 2000 vroeg belanghebbende voortijdige beëindiging van het contract, welke door de bank werd toegestaan onder terugvordering van rente over de resterende looptijd en in rekening brengen van herfinancieringskosten.
De inspecteur stelde dat belanghebbende in 2000 rente had genoten en dat de teruggevorderde rente en herfinancieringskosten niet als negatieve inkomsten aftrekbaar waren. De rechtbank oordeelde dat de civielrechtelijke vorm van het contract leidend is, dat de rente in 1997 is genoten en dat de teruggevorderde bedragen geen negatieve inkomsten zijn.
Het hof bevestigde dit oordeel en verwierp de stelling van de inspecteur dat het contract in werkelijkheid een discontolening was. Het hof oordeelde dat de teruggevorderde rente en herfinancieringskosten voortvloeien uit een in 2000 gesloten contract tot voortijdige beëindiging en dus geen negatieve inkomsten zijn. Ook werd vastgesteld dat de in 1997 genoten rente niet in Nederland of het buitenland is belast, waardoor aftrek van negatieve inkomsten niet mogelijk is.
Het hof veroordeelde de inspecteur in de proceskosten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee zowel het hoger beroep als het incidenteel hoger beroep ongegrond werden verklaard.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat belanghebbende in 2000 geen rente heeft genoten en dat de teruggevorderde rente en herfinancieringskosten niet als negatieve inkomsten aftrekbaar zijn.