ECLI:NL:GHAMS:2007:BA9943
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- E.F. Faase
- J. den Boer
- D.J. de Korte
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen boetebeschikking en navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2001
Belanghebbende ontving een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2001 met een gelijktijdige boetebeschikking. De inspecteur verklaarde het bezwaar tegen beide niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Belanghebbende stelde dat zij het aanslagbiljet waarop de boete vermeld stond, pas na 18 februari 2005 ontving, waardoor het bezwaar tijdig was ingediend of de termijnoverschrijding verschoonbaar was.
Het Hof stelde vast dat het aanslagbiljet medio december 2004, waarschijnlijk rond 7 december, door de Belastingdienst was verzonden en aannemelijk door belanghebbende ontvangen. De stellingen van belanghebbende over latere ontvangst werden als onvoldoende aannemelijk beoordeeld. Voor de navorderingsaanslag werd het bezwaar daarom als niet tijdig en niet verschoonbaar afgewezen.
Voor de boetebeschikking gold echter een strengere bewijsmaatstaf op grond van het arrest BNB 1988/292 en de bescherming van verdedigingsrechten onder artikel 6 EVRM Pro. Ondanks aannemelijkheid van ontvangst medio december 2004 kon de inspecteur de ontvangst niet met voldoende zekerheid bewijzen. Daarom werd het bezwaar tegen de boetebeschikking ontvankelijk verklaard en de boetebeschikking vernietigd.
Het Hof besloot om de inhoudelijke beoordeling van de boetebeschikking zelf te verrichten en veroordeelde de Staat tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak vernietigt het vonnis van de rechtbank Haarlem en doet opnieuw recht in hoger beroep.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de boetebeschikking is ontvankelijk verklaard en de boetebeschikking vernietigd, terwijl het bezwaar tegen de navorderingsaanslag ongegrond is verklaard.