ECLI:NL:GHAMS:2009:BH4194
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over de kwalificatie van de arbeidsrelatie tussen koerier en vervoersbedrijf
Appellant verrichtte van december 2002 tot maart 2007 koerierswerkzaamheden voor Mikropakket, eerst in dienst van zijn neef en later als zelfstandige met een eigen eenmanszaak. Mikropakket stelde eisen zoals het dragen van bedrijfskleding en het aanbrengen van stickers op de bestelauto's, en gaf aanwijzingen over routes en werktijden. Appellant stelde dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst, terwijl Mikropakket dit betwistte en stelde dat het een overeenkomst van opdracht betrof.
Het hof overwoog dat partijen onvoldoende hadden gesteld dat zij bij het sluiten van de overeenkomst een arbeidsovereenkomst voor ogen hadden gehad. De feitelijke uitvoering, waaronder het gebruik van een eigen bedrijf, het factureren met BTW en het overleggen van een VAR-verklaring, wees eerder op een overeenkomst van opdracht. Ook de aanwijzingen van Mikropakket konden binnen een opdrachtrelatie passen.
Het hof concludeerde dat appellant onvoldoende had gesteld om het bestaan van een arbeidsovereenkomst aan te nemen en dat hij niet gedwongen was in te stemmen met een nadelige contractskeuze. Daarom werd het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd en appellant veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en oordeelt dat er geen arbeidsovereenkomst bestond tussen appellant en Mikropakket.