ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ2761
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake recht op reisaftrek openbaar vervoer zonder originele plaatsbewijzen
Belanghebbende diende haar aangifte inkomstenbelasting 2004 in met een reisaftrek openbaar vervoer van €1.396. Zij beschikte niet over originele plaatsbewijzen, maar over een reisverklaring van haar werkgever en kopieën van giroafschriften waaruit betalingen aan NS blijken.
De inspecteur weigerde de reisaftrek toe te kennen vanwege het ontbreken van de vereiste plaatsbewijzen. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende ook op andere wijze aannemelijk kon maken dat zij met het openbaar vervoer reisde en verklaarde het beroep gegrond.
Het Hof stelt vast dat artikel 3.87, lid 11, Wet IB 2001 en artikel 16 Uitvoeringsregeling Pro inkomstenbelasting 2001 voorschrijven dat naast de reisverklaring ook plaatsbewijzen moeten worden overgelegd. De wetgever beoogde hiermee te voorkomen dat belastingplichtigen zonder OV-verklaring geen reisaftrek zouden krijgen.
Het Hof concludeert dat de plaatsbewijzen een essentieel onderdeel van het bewijs vormen en dat de bewijslast niet op alternatieve wijze kan worden geleverd. Daarom vernietigt het Hof het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond.
De uitspraak werd gedaan door de belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 18 juni 2009.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van originele plaatsbewijzen voor reisaftrek.