ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ8440
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J. den Boer
- E.F. Faase
- H.E. Kostense
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering teruggaaf buitenlandse bronbelasting op dividenden in vennootschapsbelasting
BV X, moedermaatschappij van een fiscale eenheid, ontving in 2003 dividenden uit Duitsland en Frankrijk waarop bronbelasting werd ingehouden. Zij verzocht om verrekening van deze buitenlandse bronbelasting met de Nederlandse vennootschapsbelasting, maar de inspecteur keerde alleen de Nederlandse dividendbelasting terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Hof bevestigt deze uitspraak.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of de buitenlandse bronbelasting moet worden teruggegeven. Het Hof overweegt dat het ontbreken van een verrekeningsmogelijkheid in het belastingverdrag met Duitsland en de werking van de tweede limiet in het belastingverdrag met Frankrijk niet in strijd zijn met de vrijheid van kapitaalverkeer zoals neergelegd in artikel 56 EG Pro.
Het Hof sluit aan bij jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en de Hoge Raad, waarin is bevestigd dat lidstaten niet verplicht zijn meer buitenlandse bronbelasting te verrekenen dan de Nederlandse belasting die over hetzelfde inkomen verschuldigd is. De stelling van belanghebbende dat dit anders zou zijn vanwege een vergelijkbare binnenlandse situatie wordt verworpen.
Ook het beroep op artikel 293 EG Pro-Verdrag om lidstaten te verplichten dubbele belasting af te schaffen wordt afgewezen, aangezien dit artikel slechts een inspanningsverplichting inhoudt zonder directe werking voor onderdanen.
Het Hof wijst het hoger beroep af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank dat BV X geen recht heeft op teruggaaf van de buitenlandse bronbelasting.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot teruggaaf van buitenlandse bronbelasting bevestigd.