ECLI:NL:GHAMS:2009:BK7011
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrekbaarheid begrafeniskosten als buitengewone uitgaven in inkomstenbelasting
In deze zaak stond centraal of de kosten van de begrafenis van de overledene als buitengewone uitgaven konden worden afgetrokken van het inkomen van de erflater. De begrafeniskosten waren pas na het overlijden betaald en ten laste van de boedel gebracht. De inspecteur weigerde deze aftrek en dit werd door zowel de rechtbank als het hof bevestigd.
Het hof oordeelde dat de kosten niet op de erflater drukken in de zin van artikel 6.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, omdat zij pas na overlijden zijn ontstaan en betaald. Jurisprudentie van eerdere gerechtshoven werd aangehaald ter onderbouwing van dit standpunt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat situaties met fiscale partners niet vergelijkbaar zijn met die van een alleenstaande erflater.
Belanghebbenden voerden aan dat de regeling onbillijk is, maar het hof stelde dat de rechter de billijkheid van de wet niet mag toetsen. Het hof benadrukte dat wijzigingen in de wetgeving aan de wetgever zijn voorbehouden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat begrafeniskosten die na overlijden zijn betaald niet als buitengewone uitgaven op het inkomen van de overledene kunnen worden afgetrokken.