ECLI:NL:GHAMS:2010:BM7187
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek levensonderhoud meerderjarige zoon in relatie tot voetbalactiviteiten
Belanghebbende maakte aanspraak op aftrek wegens uitgaven voor het levensonderhoud van haar meerderjarige zoon, die een carrière als beroepsvoetballer nastreefde. De inspecteur weigerde deze aftrek, waarop belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en het hoger beroep bij het Hof bevestigde dit oordeel.
Het Hof oordeelde dat de zoon in 2005 in beginsel in staat was om naast zijn voetbalactiviteiten betaald werk te verrichten, wat werd bevestigd door diens betaalde arbeid in het vierde kwartaal. Belanghebbende maakte niet aannemelijk dat de voetbalactiviteiten het zoeken naar of verrichten van betaald werk onmogelijk maakten. Ook de stelling dat het verwerven van inkomen de voetbalcarrière zou belemmeren, werd niet onderbouwd.
Verder stelde het Hof dat niet iedere ouderlijke bijdrage automatisch aftrekbaar is; deze moet voorzien in de behoefte van het kind als bedoeld in artikel 1:397 BW Pro, hetgeen hier niet aannemelijk was. Ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat geen vergelijkbare gevallen met een ander fiscaal beleid waren aangetoond.
Daarom kon niet worden geoordeeld dat belanghebbende zich redelijkerwijs gedrongen voelde tot de uitgaven, en werd de aftrek geweigerd. Het Hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een veroordeling in kosten af.
Uitkomst: Het Hof bevestigt dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van kosten levensonderhoud van haar zoon omdat geen sprake was van morele noodzaak.