ECLI:NL:GHAMS:2010:BN6205
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- O.B. Onnes
- A.P.M. van Rijn
- I.J.F.A. van Vijfeijken
- Rechtspraak.nl
Toepassing artikel 10 Successiewet 1956 op 'Ik-opa-vordering' binnen huwelijksgemeenschap
In deze zaak staat centraal of artikel 10 van Pro de Successiewet 1956 van toepassing is op een zogenaamde 'Ik-opa-vordering', waarbij bedragen schuldig zijn erkend door een echtgenoot binnen een huwelijksgemeenschap van goederen. De grootvader overleed in 1998 en legde in zijn testament een last op aan zijn zoon (de vader) om aan zijn kinderen bedragen toe te kennen.
De vader, gehuwd in gemeenschap van goederen met de erflaatster, erkende deze bedragen schuldig. De vraag was of de erflaatster als mede-partij bij deze rechtshandeling kan worden beschouwd, zodat artikel 10 SW Pro 1956 van toepassing is. De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat de erflaatster geen partij was, waardoor artikel 10 niet Pro van toepassing was en de aanslagen werden verminderd.
Het hof herzag dit oordeel en stelde dat op grond van het huwelijksgoederenrecht en het bijzondere karakter van de gemeenschap van goederen de ene echtgenoot die bevoegdelijk beschikt over het gemeenschapsvermogen, dit mede namens de andere echtgenoot doet. Hierdoor wordt de andere echtgenoot geacht partij te zijn bij de rechtshandeling. Een andere uitleg zou leiden tot ongerijmde gevolgen en strookt niet met de bedoeling van de wetgever.
Het hof vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de inspecteur gegrond. De aanslagen werden gehandhaafd op basis van de toepassing van artikel 10 SW Pro 1956 op de 'Ik-opa-vordering'.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de inspecteur gegrond en oordeelt dat artikel 10 SW 1956 van toepassing is op de 'Ik-opa-vordering', waarbij de erflaatster mede partij wordt geacht.