ECLI:NL:RBHAA:2009:BI7558
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toepassing artikel 10 Successiewet niet van toepassing op Ik-opa-vordering in testament
De zaak betreft een geschil over de toepassing van artikel 10 van Pro de Successiewet 1956 op de zogenaamde Ik-opa-vordering uit het testament van de grootvader, die aan de kinderen van zijn zoon een bedrag toekent na het overlijden van hun ouders.
Eisers betoogden dat erflaatster niet partij was bij de rechtshandeling waarbij de vader de schuld aan zijn kinderen erkende, en dat artikel 10 Sw Pro daarom niet van toepassing is. Verweerder stelde dat vanwege de huwelijksgoederengemeenschap erflaatster wel als partij moest worden aangemerkt, zodat het artikel ook op haar overlijden van toepassing zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat de erflaatster niet als partij bij de rechtshandeling kan worden beschouwd, ondanks de huwelijksgoederengemeenschap, en dat de tekst van artikel 10 Sw Pro niet ruimer mag worden uitgelegd dan de bewoordingen toelaten. De door verweerder genoemde inconsequentie is volgens de rechtbank een kwestie voor de wetgever.
Daarom is artikel 10 Sw Pro niet van toepassing op de Ik-opa-vordering en moeten de aanslagen worden verminderd tot een verkrijging van € 178.672 per eiser. De beroepen worden gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Artikel 10 Successiewet is niet van toepassing op de Ik-opa-vordering, waardoor de aanslagen worden verminderd en de beroepen gegrond verklaard.