ECLI:NL:GHAMS:2010:BN6207
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke taxatie onroerende zaak voor inkomstenbelasting 2004
Belanghebbende, directeur en enig aandeelhouder van een BV, verhuurde sinds 1998 een pand aan zijn eigen architectenbureau. Voor de inkomstenbelasting 2004 werd het pand gezamenlijk getaxeerd door een door de Belastingdienst en een door belanghebbende aangewezen taxateur. De taxatie bepaalde de waarde in verhuurde staat per 1 januari 2001 op €190.000 en vrij van huur per 1 oktober 2004 op €220.000.
Belanghebbende betwistte de waarde van €190.000 en stelde dat de waarde €220.083 zou moeten zijn, mede vanwege de korte huurtermijn en het feit dat de huurder een besloten vennootschap was waarvan hij de enige directeur en aandeelhouder is. Het Hof oordeelde dat de waarde moet worden bepaald met inachtneming van het op die datum bestaande huurrecht en dat er bij waardering van het pand moet worden uitgegaan van onafhankelijke derden.
Het Hof stelde vast dat de gezamenlijke taxatie is uitgevoerd door deskundigen en dat geen ernstige gebreken in de inhoud of wijze van totstandkoming van de taxatie zijn aangetoond. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de inspecteur de aanslag over 2001 conform de aangifte had opgelegd zonder correcties. Belanghebbende is daarom gebonden aan de uitkomst van de gezamenlijke taxatie en de waarde van €190.000 per 1 januari 2001 wordt bevestigd.
De uitspraak van de rechtbank wordt daarmee bevestigd en belanghebbende wordt niet in de kosten veroordeeld.
Uitkomst: Het Hof bevestigt dat belanghebbende gebonden is aan de gezamenlijke taxatie en handhaaft de aanslag op basis van een waarde van €190.000 per 1 januari 2001.