ECLI:NL:GHAMS:2010:BO8238

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.073.882/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 107 Rv (oud)Art. 339 lid 1 Rv (oud)Art. 38 Wet op de rechterlijke organisatie (oud)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens niet tijdige instelling en vordering onder appelgrens

Appellant is in eerste aanleg niet verschenen bij de kantonrechter, die een vonnis op tegenspraak heeft gewezen. Het hoger beroep is niet binnen de wettelijke termijn ingesteld en de vordering was lager dan de appelgrens van fl. 3.500,-. Appellant voerde aan niet op de hoogte te zijn gesteld van het vonnis en dat de dagvaarding niet aan hem was betekend.

Het hof overweegt dat indien de dagvaarding niet correct is betekend, appellant het rechtsmiddel van verzet had kunnen gebruiken, maar omzetting van rechtsmiddelen niet mogelijk is. Misbruik van procesrecht door geïntimeerde kan in een executiegeschil aan de orde worden gesteld, maar biedt geen grond voor ontvankelijkheid in hoger beroep.

Om proceseconomische redenen verwijst het hof niet naar de rechtbank als destijds bevoegde appelrechter. De kosten van het hoger beroep worden aan appellant opgelegd omdat hij in het ongelijk is gesteld. Het hof verklaart appellant niet-ontvankelijk in het hoger beroep en begroot de proceskosten voor geïntimeerde op nihil.

Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens niet tijdige instelling en vordering onder de appelgrens.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
[Appellant],
wonend te [ plaatsnaam ],
APPELLANT,
advocaat: mr. P.P.J. van der Rijt, te Bergen op Zoom,
t e g e n
de stichting
WONINGSTICHTING ROCHDALE,
gevestigd te Amsterdam,
GEÏNTIMEERDE,
niet verschenen.
1. Het geding in hoger beroep
Bij exploot van 12 juli 2010 is appellant in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter te Amsterdam van
11 augustus 2000, voor zover in deze zaak onder rolnummer 2260-2000 gewezen tussen geïntimeerde als eiseres en appellant als (niet-verschenen) gedaagde, met dagvaarding van geïntimeerde voor dit hof.
Bij rolbeslissing van 17 augustus 2010 is appellant in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep.
Appellant heeft een akte genomen.
Arrest is bepaald op heden.
2. Ontvankelijkheid
2.1 Anders dan appellant kennelijk meent, moet de ontvankelijkheid in hoger beroep worden beoordeeld aan de hand van het recht dat gold ten tijde van het uitspreken van het vonnis waarvan beroep.
2.2 Blijkens het vonnis waarvan beroep is appellant in eerste aanleg niet verschenen, maar de medegedaagde wel.
Ingevolge artikel 107 (oud) Rv wordt het vonnis waarvan beroep als een vonnis op tegenspraak beschouwd. Het hoger beroep is niet ingesteld binnen de in artikel 339 lid Pro 1 (oud) Rv genoemde termijn. Daarnaast is de vordering waarover de kantonrechter had te oordelen lager dan het in artikel 38 (oud) van de Wet op de rechterlijke organisatie genoemde bedrag van fl. 3.500,-.
2.3 Appellant heeft echter aangevoerd dat hij niet bekend was met het vonnis waarvan beroep en dat de inleidende dagvaarding niet aan hem is betekend. Indien dat juist is, en bij die dagvaarding de voorgeschreven formaliteiten jegens hem niet in acht zijn genomen, dan heeft voor appellant het rechtsmiddel van verzet opengestaan. Volgens vaste rechtspraak is voor omzetting van rechtsmiddelen geen plaats.
2.4 Het voorgaande brengt mee dat appellant niet kan worden ontvangen in het hoger beroep. De omstandigheid dat geïntimeerde volgens appellant misbruik maakt van procesrecht door tenuitvoerlegging van het vonnis waarvan beroep, dient zonodig aan de orde te worden gesteld in een executiegeschil, maar schept geen verruiming van de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep of tot omzetting van een rechtsmiddel. Het hof zal om proceseconomische redenen afzien van verwijzing naar de rechtbank, als de ten tijde van de uitspraak bevoegde rechter in hoger beroep.
2.5 De kosten van het hoger beroep komen ten laste van appellant omdat hij is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij.
3. Beslissing
Het hof:
verklaart appellant niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
verwijst appellant in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van geïntimeerde gevallen, op nihil.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, R.J.M. Smit en D.J. van der Kwaak en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 12 oktober 2010.