ECLI:NL:GHAMS:2010:BQ5821
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontbinding tankstationcontract wegens wanprestatie ondanks mededingingsrechtelijke bezwaren
In deze zaak ging het om een hoger beroep tegen vonnissen van de kantonrechter Utrecht betreffende een overeenkomst over het gebruik en de exploitatie van een tankstation op een perceel in Rhenen. De VOF en BV waren appellanten, BP Nederland was geïntimeerde.
De kantonrechter had het contract ontbonden wegens wanprestatie, omdat de VOF was gestopt met het afnemen van brandstof van BP en onvoldoende medewerking verleende aan de verplaatsing van het verkooppunt. Tevens werd de VOF veroordeeld tot ontruiming en schadevergoeding.
De VOF voerde incidenteel een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging in hoger beroep, gebaseerd op een rapportage over vermeende dubbele incasso van leningaflossingen door BP. Het hof oordeelde dat deze vordering niet-ontvankelijk was omdat reeds eerder een kort geding deze schorsing had afgewezen en er geen nieuwe feiten waren die hernieuwde beoordeling rechtvaardigden.
Het hof bevestigde dat de shop in eigendom van de exploitant niet voldeed aan de vrijstellingsverordening in het mededingingsrecht, maar dat er onvoldoende was gesteld om een merkbare verstoring van de mededinging aan te nemen. De ontbinding van het contract wegens wanprestatie werd daarmee gerechtvaardigd.
Uitkomst: Het hof verklaart de VOF niet-ontvankelijk in haar incidentele vordering en bevestigt de ontbinding van het tankstationcontract wegens wanprestatie.