ECLI:NL:GHAMS:2011:BP1909
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake proceskostenvergoeding bij intrekking belastingberoep
Belanghebbende diende een bezwaar in tegen het besluit van de inspecteur om voor het jaar 2008 geen voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen op te leggen en het verzamelinkomen op nihil vast te stellen. Het bezwaar werd door de inspecteur niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om kostenvergoeding afgewezen. Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank, maar trok dit later in met het verzoek om de inspecteur te veroordelen in de proceskosten.
De rechtbank wees het verzoek tot proceskostenvergoeding toe en stelde de vergoeding vast op €80,50. De inspecteur ging in hoger beroep tegen de hoogte van deze vergoeding, stellende dat sprake was van drie samenhangende zaken en dat de vergoeding over deze zaken verdeeld moest worden.
Het Hof oordeelde dat geen sprake was van samenhangende zaken omdat het ging om drie verschillende belastingplichtigen zonder onderlinge relatie, en het enkele feit dat dezelfde gemachtigde optrad was onvoldoende voor samenhang. Ook was niet gebleken dat de besluiten en gronden van beroep nagenoeg identiek waren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hof bevestigt de proceskostenvergoeding van €80,50 en verklaart het hoger beroep van de inspecteur ongegrond.