ECLI:NL:GHAMS:2011:BP3634
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Voortzetting huurovereenkomst na overlijden moeder bij duurzame ouder-kind samenwoning
Appellant woonde sinds zijn jeugd in een woning die zijn ouders huurden. Na het overlijden van zijn vader bleef hij met zijn moeder in de woning wonen. Na het overlijden van zijn moeder in 2007 werd appellant verzocht de woning te verlaten door de verhuurders, geïntimeerden.
De kern van het geschil betrof de vraag of appellant de huurovereenkomst mocht voortzetten op grond van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder als bedoeld in art. 7:268 BW Pro. De kantonrechter oordeelde negatief, stellende dat appellant niet had bewezen dat hij zijn hoofdverblijf in de woning had en dat er geen duurzame huishouding was.
Het hof stelde vast dat appellant wel degelijk zijn hoofdverblijf in de woning had, ondanks dat hij in het weekend bij zijn vriendin verbleef, en dat er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder. Tevens oordeelde het hof dat het vereiste van een huisvestingsvergunning niet van toepassing was. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en verklaarde dat appellant de huurovereenkomst mocht voortzetten.
Uitkomst: Het hof verklaart dat appellant de huurovereenkomst mag voortzetten vanwege een duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder.