ECLI:NL:GHAMS:2011:BP8969
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen voorlopige aanslag inkomstenbelasting wegens onzorgvuldige vaststelling
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2008, gebaseerd op het inkomen uit werk en woning en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van €35.600 in 2007. De inspecteur legde de aanslag automatisch vast zonder rekening te houden met het incidentele karakter van het dividend in 2007.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de inspecteur niet kon weten dat het dividend eenmalig was. In hoger beroep oordeelt het Hof dat de inspecteur bij het vaststellen van de voorlopige aanslag niet de nodige zorgvuldigheid heeft betracht, mede vanwege de eenmalige tariefverlaging in 2007 en het feit dat belanghebbende in voorgaande jaren geen dividend ontving.
Het Hof stelt dat de inspecteur niet onbeperkt beslissingsmarge heeft en dat de vaststelling van de voorlopige aanslag zorgvuldig moet gebeuren. De onzorgvuldigheid leidt tot onrechtmatigheid in de zin van artikel 7:15 Awb Pro, waardoor belanghebbende recht heeft op vergoeding van de kosten van bezwaar en proceskosten.
De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, het beroep gegrond verklaard, en de inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van de kosten en griffierechten. Tegen deze uitspraak kan beroep in cassatie worden ingesteld.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van kosten en griffierechten wegens onzorgvuldige vaststelling van de voorlopige aanslag.