ECLI:NL:RBBRE:2009:BH1779
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenvergoeding bij voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2008 onterecht afgewezen
Belanghebbende, aandeelhouder van een vennootschap, ontving in 2007 een incidenteel dividend van €150.000, terwijl in de jaren 2001-2006 geen dividend werd uitgekeerd. Op basis hiervan legde de inspecteur een voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2007 op, gevolgd door een voorlopige aanslag 2008 gebaseerd op de aanslag van 2007. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag 2008 omdat hij dat jaar geen inkomen uit aanmerkelijk belang verwachtte. De voorlopige aanslag 2008 werd verminderd tot nihil, maar het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen.
De rechtbank stelde vast dat de inspecteur bij het opleggen van voorlopige aanslagen een zekere beoordelingsmarge heeft, maar in deze zaak die marge heeft overschreden. Dit omdat het dividendverleden van belanghebbende en de eenmalige tariefsverlaging in 2007 indiceren dat het dividend in 2007 incidenteel was. De inspecteur baseerde de aanslag 2008 echter uitsluitend op de aanslag 2007 zonder verdere zorgvuldigheid, en kon ter zitting niet uitleggen hoe de aanslag was berekend.
De rechtbank oordeelde dat de onjuistheid van de voorlopige aanslag niet aan belanghebbende te wijten was en dat de herroeping van de aanslag te wijten was aan onrechtmatigheid van de inspecteur. Daarom werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende, inclusief griffierecht, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak werd op 22 januari 2009 gedaan door rechter M.G.J.M. van Kempen.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende wegens onzorgvuldige voorlopige aanslag 2008.