ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ0111
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting en vrijstelling taxi
In deze zaak staat centraal of de inspecteur terecht naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting heeft opgelegd aan belanghebbende, een taxichauffeur die een auto gebruikte waarvoor vrijstelling van motorrijtuigenbelasting was verleend. De inspecteur stelde dat de naheffing over meerdere perioden kon plaatsvinden omdat de auto niet volledig voor taxivervoer werd gebruikt.
De rechtbank had eerder de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen vernietigd omdat de inspecteur niet binnen de wettelijke termijn had gehandeld en de constatering van het feit niet correct was vastgesteld. Het hof bevestigt deze uitspraak en overweegt dat de constatering van het feit dat de vrijstelling ten onrechte is verleend, moet worden gezien als het moment van de controle of het boekenonderzoek, en dat naheffing slechts kan plaatsvinden over vier aaneengesloten tijdvakken van drie maanden voorafgaand aan die constatering.
De inspecteur voerde aan dat meerdere constateringsmomenten konden worden aangenomen, maar het hof wijst dit af op grond van de tekst van artikel 76 van Pro de Wet motorrijtuigenbelasting en recente arresten van de Hoge Raad. Het hof veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende en bevestigt dat de naheffingsaanslagen onterecht zijn opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de inspecteur wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslagen worden vernietigd.