ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ7222
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing lijfrente-uitkeringen bij belanghebbende ondanks uitkering aan echtgenote op grond van overgangsrecht
Belanghebbende sloot in 1986 en 1987 lijfrenteverzekeringen af waarvan de premies in aftrek werden gebracht bij zijn belastbaar inkomen. In 2003 verzocht hij de uitkeringen te laten uitkeren aan zijn echtgenote, die deze in haar aangifte 2004 opnam. De inspecteur belastte echter ook belanghebbende met deze uitkeringen, omdat volgens het overgangsrecht de oude regels van vóór 1992 blijven gelden.
Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat het vertrouwensbeginsel hem beschermt tegen dubbele belastingheffing, omdat de uitkeringen reeds bij zijn echtgenote waren belast. Het hof oordeelde dat het ontbreken van een inhoudelijke toetsing van de aangifte van de echtgenote en het gelijktijdig doen van aangiften niet tot een redelijk vertrouwen leiden dat de uitkeringen niet alsnog bij belanghebbende zouden worden belast.
Juridisch werd geoordeeld dat op grond van artikel I, onderdeel O, van de Invoeringswet Wet IB 2001 en artikel 75 Wet Pro IB 1964 het regime van vóór 1992 van toepassing blijft. Artikel 69 Wet Pro IB 1964, dat uitkeringen aan de echtgenoot met het hoogste persoonlijk inkomen toerekent, is niet van toepassing op deze verzekeringen. De uitkeringen behoren derhalve tot het inkomen van belanghebbende.
Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierechten wegens onvoldoende motivering in de uitspraak op bezwaar.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitkeringen worden bij belanghebbende belast volgens het overgangsrecht.