ECLI:NL:GHAMS:2011:BR2038
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging heffingsrenteheffing na kapitaalsuitkering uit lijfrentepolis
Belanghebbende ontving in 2007 een kapitaalsuitkering van €274.380 uit een lijfrentepolis en werd daarop aangeslagen voor inkomstenbelasting en heffingsrente. De inspecteur legde een voorlopige aanslag op en bracht heffingsrente in rekening over de periode van 1 juli 2007 tot 13 juni 2008.
Belanghebbende stelde dat de heffingsrente als een straf werd ervaren, dat zijn brief van 2 april 2007 als verzoek om een voorlopige aanslag moest worden opgevat en dat de inspecteur tekort was geschoten in zijn voorlichting. De rechtbank oordeelde dat heffingsrente een compensatie is en geen sanctie, dat de brief niet als verzoek kon worden gezien en dat er geen sprake was van onzorgvuldig handelen door de inspecteur.
Het Hof nam het oordeel van de rechtbank over en bevestigde dat de heffingsrente conform de wet is berekend. De brief van belanghebbende was te algemeen om als verzoek te gelden en de inspecteur had geen verplichting om te wijzen op heffingsrente. Er was geen schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de heffingsrente terecht is berekend en verklaart het hoger beroep ongegrond.