ECLI:NL:GHAMS:2011:BR4716
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J. den Boer
- H.E. Kostense
- H.N. van der Kolk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het meegeven van verliezen aan een ontvoegde dochter binnen fiscale eenheid vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een moedermaatschappij binnen een fiscale eenheid, had een schuld aan haar dochtermaatschappij [A BV] kwijtgescholden vlak voor de ontvoeging van die dochter uit de fiscale eenheid. De inspecteur stelde het aan [A BV] toe te rekenen verlies op € 218.061, terwijl de rechtbank dit vaststelde op € 1.215.136. De inspecteur ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De kern van het geschil betrof de kwalificatie van de kwijtschelding van de schuld: of deze moest worden gezien als een informele kapitaalstorting en of het bedrag van de kwijtschelding het aan de dochter toe te rekenen verlies zou verminderen. De rechtbank oordeelde dat de kwijtschelding uit aandeelhoudersmotieven had plaatsgevonden en als informele kapitaalstorting moest worden aangemerkt, waardoor het verlies niet werd verminderd.
Het Hof bevestigde de feitenvaststelling en oordeelde dat de inspecteur onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de kwijtschelding niet uit aandeelhoudersmotieven was gedaan. Tevens stelde het Hof dat de wetgeving en wetsgeschiedenis niet vereisen dat de verliesvaststelling op basis van een zelfstandige winstberekening volgens artikel 15ah Wet Vpb moet plaatsvinden. Ook wees het Hof het standpunt van de inspecteur af dat omzettingswinst het aan de dochter toe te rekenen verlies zou verminderen.
Het Hof concludeerde dat de kwijtschelding vóór het ontvoegingstijdstip had plaatsgevonden en dat het volledige, nog niet verrekende verlies van € 1.215.136 aan de dochter moest worden toegerekend. Het hoger beroep van de inspecteur werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten van € 1.449.
Uitkomst: Het hoger beroep van de inspecteur wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.