ECLI:NL:GHAMS:2012:BV0440
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwaardering lening niet ten laste van ondernemingsresultaat te brengen
Belanghebbende en zijn echtgenote drijven een tandartsenpraktijk in de vorm van een vennootschap onder firma (vof). In 2004 verstrekte de vof een lening van € 50.000 aan een derde, met een rentevergoeding van 1% per maand, zonder zekerheden. De lening was bedoeld uit tijdelijk overtollige middelen van de onderneming, maar werd risicovol belegd in vreemde valuta op de Japanse markt.
In 2006 bleek de lening oninbaar en werd deze afgeboekt tot nihil in de jaarrekening. De Belastingdienst accepteerde de afwaardering van € 25.000 niet als verlies in het ondernemingsresultaat, omdat de lening volgens hen niet tot het ondernemingsvermogen behoorde.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard, maar het Hof vernietigt deze uitspraak en verklaart het beroep ongegrond. Het Hof overweegt dat een lening uit tijdelijk overtollige middelen alleen tot het ondernemingsvermogen behoort als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de middelen tijdig weer beschikbaar zijn. Gezien het hoge risico en het ontbreken van zekerheden acht het Hof dit niet het geval.
Daarom mag de afwaardering niet ten laste van de winst worden gebracht en is de correctie van de inspecteur terecht. De uitspraak van het Hof is in het openbaar gedaan op 5 januari 2012.
Uitkomst: De afwaardering van de lening mag niet ten laste van het ondernemingsresultaat worden gebracht omdat de lening niet tot het ondernemingsvermogen behoort.