ECLI:NL:GHAMS:2012:BW4432
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- M.J. Leijdekker
- F.J.P.M. Haas
- A.O. Lubbers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging navorderingsaanslag en vergrijpboete wegens niet-aangegeven inkomsten en pleitbaar standpunt afgewezen
Belanghebbende werd geconfronteerd met een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2003, gebaseerd op een vermogensvergelijking die een aanzienlijk hoger belastbaar inkomen vaststelde dan door hem opgegeven. Tevens werd een vergrijpboete opgelegd wegens opzet of grove schuld bij het niet juist aangeven van inkomsten.
In hoger beroep betwistte belanghebbende de juistheid van de berekening van het eindvermogen, met name de toerekening van bedragen op een girorekening die hij aan zijn moeder toeschreef. Het Hof oordeelde echter dat belanghebbende als gemachtigde op deze rekening de bedragen moet worden toegerekend, mede gelet op verklaringen van de moeder en het ontbreken van bewijs dat zij over dergelijke middelen beschikte.
Belanghebbende voerde aan dat hij dubbel werd bestraft vanwege de strafrechtelijke veroordeling voor opzetheling en witwassen, maar het Hof stelde vast dat de strafrechtelijke feiten en de fiscale boete verschillende rechtsgoederen beschermen en dat er geen sprake is van hetzelfde feit in de zin van ne bis in idem.
Het pleitbaar standpunt dat belanghebbende geen aangifte hoefde te doen werd verworpen, omdat uit het dossier bleek dat hij bewust geen aangifte deed van substantiële inkomsten. De boete werd gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn, maar verder gehandhaafd.
Het Hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarbij geen proceskosten werden toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag en vergrijpboete worden bevestigd.