ECLI:NL:GHAMS:2012:BW9643
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J.W. Hoekzema
- G.B.C.M. van der Reep
- M.M.M. Tillema
- Rechtspraak.nl
Voortzetting huur woonruimte na overlijden huurder geweigerd wegens ontbreken duurzame gemeenschappelijke huishouding
In deze zaak vordert de zoon van een overleden huurder voortzetting van de huurovereenkomst van een woning in Haarlem op grond van artikel 7:268 BW Pro. De moeder, die de huurder was, is overleden en de zoon stelt dat hij zijn hoofdverblijf in de woning had en met zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde.
De kantonrechter wees de vordering af omdat de duurzame gemeenschappelijke huishouding niet was komen vast te staan. Het hof bevestigt dit oordeel na beoordeling van de feiten en omstandigheden. Hoewel de zoon zorg verleende aan zijn moeder en zij samen activiteiten ondernamen, ontbrak het aan wederkerigheid en financiële bijdrage van de zoon aan het huishouden.
Het hof overweegt dat het ontbreken van financiële bijdrage een belangrijke contra-indicatie is voor het aannemen van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De zoon bleef feitelijk in de rol van kind en niet als partner in een gemeenschappelijke huishouding. Daarom wordt de vordering afgewezen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst wordt niet toegewezen.