ECLI:NL:GHAMS:2012:BX3135
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep op schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag en vakantiedagen
De werknemer trad in 1996 in dienst bij IJTG en was werkzaam in België bij de dochteronderneming IJTB. Na ziekteperiodes en een bedrijfseconomisch ontslag in 2010 vorderde hij een hogere schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag en betaling van niet genoten vakantiedagen.
De kantonrechter had het ontslag als kennelijk onredelijk beoordeeld en een schadevergoeding van €65.000 toegekend, maar de vordering voor vakantiedagen afgewezen. In hoger beroep stelde de werknemer dat het ontslag een valse reden had en dat hij recht had op een hogere vergoeding en betaling van vakantiedagen.
Het hof verwierp het betoog over een valse ontslagreden wegens onvoldoende bewijs en bevestigde dat het ontslag kennelijk onredelijk was, maar vond geen reden voor een hogere vergoeding. Wel oordeelde het hof dat de vordering voor niet genoten vakantiedagen terecht was en kende deze toe, met wettelijke rente, maar zonder wettelijke verhoging.
De proceskosten werden tussen partijen gecompenseerd en het arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot betaling van niet genoten vakantiedagen toe en bevestigt het kennelijk onredelijk ontslag zonder toekenning van een hogere schadevergoeding.