Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Het oordeel van de rechtbank
.
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende is enige erfgenaam van zijn moeder, erflaatster, die in 2010 overleed. Erflaatster had in 2002 een woning aan belanghebbende geleverd waarbij een deel van de koopsom van € 216.000 werd kwijtgescholden. Daarnaast was er een huurovereenkomst waarbij erflaatster de woning bleef bewonen, maar zij betaalde geen huur.
De inspecteur legde een erfbelastingaanslag op waarbij de waarde van de woning werd vastgesteld op € 323.000, vermeerderd met niet betaalde huur en rente, en verminderd met vrijstellingen en reeds betaalde belastingen. De rechtbank had de aanslag verminderd op basis van een lagere WOZ-waarde van € 270.000, maar oordeelde dat de kwijtschelding van de koopsom niet in mindering kon worden gebracht.
In hoger beroep stond centraal of de kwijtschelding van € 181.975 en de niet betaalde huur inclusief rente in mindering konden worden gebracht op de fictieve verkrijging. Het Hof oordeelde dat de kwijtschelding geen reële tegenprestatie betrof en dus niet aftrekbaar was, terwijl de niet betaalde huur als vruchtgebruik belast bleef. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.