Uitspraak
1.[geïntimeerde sub 1],
1.Het geding in hoger beroep
2.Ontvankelijkheid van het hoger beroep
3.Feiten
4.Beoordeling
grief 2keert [appellant] zich tegen de beslissing van de rechtbank (neergelegd in overweging 4.5 van het tussenvonnis en overweging 2.11.2 van het eindvonnis) dat bij de berekening van de aanspraken op grond van het anti-speculatiebeding de gehele winst op het appartement van [appellant] cs in aanmerking moet worden genomen en niet slechts de aan [appellant] toekomende helft. [appellant] betoogt in dit verband dat vaststaat dat Dop-[appellant] geen partij is bij het anti-speculatiebeding en (als met hem in gemeenschap van goederen gehuwd) voor 50% eigenaar was van het verkochte appartementsrecht, zodat volgens hem de winst voor 50% uitsluitend aan haar ten goede moet komen.
grieven 4 en 6, waarmee [appellant] erover klaagt dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een door hem voor het appartement van [appellant] cs betaalde koopprijs van € 85.000,= (en niet van € 100.000,=), respectievelijk ten onrechte geen rekening heeft gehouden met door [appellant] gestelde financieringslasten ter grootte van € 50.400,40 geen bespreking, evenmin als het in 4.5.4 bedoelde onderdeel van grief 5. Immers, ook als deze grieven alle gegrond zijn, is de winst zodanig, namelijk € 111.834,18 (te weten € 325.000,= minus € 213.165,82, zijde dit laatste de som van € 100.000,=, € 8.184,48, € 39.526,62, € 15.054,32 en € 50.400,40), dat [geïntimeerden] op grond van het anti-speculatiebeding ten laste van [appellant] een bedrag van € 17.500,= toekomt, immers 25% van (€ 100.000,= minus € 30.000,= is) € 70.000,=.