Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
De keuze voor aangiften ten invoer
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende, handelaar in gebruikte voertuigen, voerde tussen 2007 en 2008 vrachtwagens uit Kroatië in onder een preferentieel tarief op basis van factuurverklaringen die onjuiste oorsprongsinformatie bevatten. De inspecteur stelde een navordering in wegens onterechte toepassing van tariefpreferentie en weigerde terugbetaling van de betaalde douanerechten en omzetbelasting.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en het hoger beroep bevestigde deze uitspraak. Het hof oordeelde dat geen sprake was van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in artikel 239 van Pro het Communautair Douanewetboek (CDW), waardoor terugbetaling niet gerechtvaardigd is. De vraag of klaarblijkelijke nalatigheid aan de zijde van belanghebbende aanwezig was, werd niet meer behandeld.
Het hof benadrukte dat de latere uitvoer van de goederen geen bijzondere situatie vormt en dat belanghebbende en zijn douane-expediteur voldoende ervaring hadden om de oorsprongsregels te begrijpen. Het accepteren van onjuiste factuurverklaringen werd als onvoldoende zorgvuldigheid beoordeeld. De uitspraak bevestigt dat de navordering terecht is en dat terugbetaling niet toekomt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugbetaling van douanerechten wordt afgewezen.