Uitspraak
mr. E.H.A. Sandbergte Rotterdam,
mr. I.M.C.A. Reinders Folmerte Amsterdam.
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
te continueren onder de volgende voorwaarden:
‘Het ligt thans in mijn bedoeling ook de lening [adres 3] af te lossen. Er blijft dan voorlopig alleen nog [adres 2] over’duidelijk blijkt dat hij niet instemde met continuering van lening A, met als onderpand het landgoed te [adres 2]. Het hof kan [appellant] hierin niet volgen. Uit de e-mail van 20 maart 2008 blijkt geenszins dat [appellant] hetgeen ING bij brief van 6 maart 2008 heeft geschreven (alsnog) niet accepteerde, met name niet dat [appellant] niet wilde instemmen met de continuering van krediet A. De bewoordingen van deze e-mail – die betrekking hebben op de ondergezette objecten en niet op de condities – wijzen daar ook niet op. Aldus hoefde ING de e-mail van 20 maart 2008 van [appellant] dan ook redelijkerwijze niet op te vatten in de zin die [appellant] daaraan geeft. Met de stelling van [appellant] dat hij ING nooit aanleiding heeft gegeven om lening B op te zeggen, miskent hij dat het ING vrijstond om, gelet op de door [appellant] aan ING kenbaar gemaakte wens om een belangrijk onderpand elders te financieren, aan haar instemming met royement van de hypotheek op de Rotterdamse panden de voorwaarde te verbinden dat de gehele kredietrelatie zou worden afgelost, met inbegrip van lening B, en vervolgens – naar aanleiding van het tegenvoorstel van [appellant] – dat lening A zou worden gecontinueerd, met als onderpand het landgoed te [adres 2], en lening B niet. Het stond [appellant] daartegenover vrij alsnog niet akkoord te gaan met deze voorwaarde van ING en terug te komen van zijn verzoek het onderpand aan de [adres] elders te financieren. Dat heeft hij, als gezegd, echter niet gedaan.