ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ5140
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- M. Jurgens
- A.D.R.M. Boumans
- A. van Amsterdam
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep op inkeerbepaling bij onjuiste aangifte loonbelasting optierechten
In deze zaak stond centraal of de verdachte terecht een beroep kon doen op de inkeerbepaling van artikel 69, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in verband met een onjuiste aangifte loonbelasting over oktober 1998. De verdachte en de B.V. hadden optierechten toegekend die niet correct in de aangifte waren verwerkt, waardoor te weinig belasting werd aangegeven.
Het hof stelde vast dat de correctie van de onjuiste aangifte pas in december 1998 plaatsvond, zonder dat dit duidelijk kenbaar werd gemaakt aan de belastingdienst. Hierdoor faalde het beroep op de inkeerbepaling omdat niet tijdig en op juiste wijze een correcte aangifte of volledige informatie was verstrekt. De methode van latere verwerking zonder nadere toelichting werd niet als toereikend geacht.
Hoewel het hof het subsidiair ten laste gelegde feit bewezen verklaarde en strafbaarheid aannam, werd geen straf of maatregel opgelegd vanwege de lange duur van de procedure en overschrijding van de redelijke termijn. Het hof vond dat het belang van normmarkering hiermee voldoende was gediend.
De zaak doorliep meerdere rechtsgangen, met eerdere vrijspraak en cassatie, waarna het hof na terugwijzing het bewezen verklaarde feit bevestigde maar afzag van strafoplegging. De verdachte werd vrijgesproken van overige ten laste gelegde feiten.
Uitkomst: Het hof verklaarde het subsidiair ten laste gelegde feit bewezen maar legde geen straf of maatregel op vanwege overschrijding van de redelijke termijn.