ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ9169
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- M.J. Leijdekker
- P.F. Goes
- A.O. Lubbers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging heffing Nederlandse inkomstenbelasting over vergoeding na beëindiging dienstverband
Belanghebbende was CEO van een in Nederland gevestigde vennootschap en ontving een beëindigingsvergoeding in drie termijnen. De eerste termijn werd onbetwist in Nederland belast, maar over de tweede termijn ontstond discussie omdat belanghebbende inmiddels in het buitenland woonde.
Het geschil betrof of de tweede termijn, die verband hield met het nalaten van werkzaamheden na beëindiging van het dienstverband, in Nederland belastbaar was. Belanghebbende stelde dat deze vergoeding niet in Nederland belast kon worden omdat hij in het buitenland woonde en de vergoeding gebonden was aan een toekomstige gebeurtenis.
Het Hof oordeelde dat de vergoeding voortvloeit uit de dienstbetrekking in Nederland en dat de functie van bestuurder van een in Nederland gevestigde vennootschap geacht wordt in Nederland te zijn vervuld. De tweede termijn is loon ter zake van in Nederland verrichte arbeid en valt onder de Nederlandse heffing.
Het hoger beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het Hof wees ook op de parlementaire geschiedenis die geen uitsluiting van loon uit vroegere dienstbetrekking ondersteunt.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de vierde meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 18 april 2013.
Uitkomst: Het Hof bevestigt dat de tweede termijn van de beëindigingsvergoeding terecht in de Nederlandse belastingheffing is betrokken.