ECLI:NL:PHR:2014:179
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt Nederlandse belastingheffing over beëindigingsvergoeding met non-concurrentiebeding
Belanghebbende, woonachtig in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE), ontving bij beëindiging van zijn dienstbetrekking bij een Nederlandse werkgever een beëindigingsvergoeding in drie termijnen. De tweede termijn van €1.000.000, betaald in december 2007, was onderwerp van geschil over de vraag of deze in Nederland belastbaar was. Belanghebbende stelde dat deze vergoeding verband hield met het nalaten van werkzaamheden in de VAE en daarom niet in Nederland belastbaar was.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de vergoeding voortvloeit uit de dienstbetrekking die in Nederland werd vervuld en dat de vergoeding loon is ter zake van in Nederland verrichte arbeid. Het Hof verwierp het onderscheid dat belanghebbende maakte tussen de eerste termijn (compensatie voor beëindiging) en de tweede termijn (non-concurrentiebeding). Ook het argument dat de vergoeding afhankelijk was van het nalaten van werkzaamheden werd verworpen, omdat de overeenkomst geen opschortende voorwaarde bevatte.
De Hoge Raad bevestigt deze oordelen en wijst erop dat het nalaten van werkzaamheden een schimmenspel is en niet kan worden toegerekend aan de woonstaat van belanghebbende. De binding met Nederland is manifest omdat de dienstbetrekking en de functie als bestuurder bij een Nederlandse vennootschap daar werden vervuld. De tweede termijn maakt integraal deel uit van het loon uit vroegere dienstbetrekking en is daarom belastbaar in Nederland. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de tweede termijn van de beëindigingsvergoeding is belastbaar in Nederland.